is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

HET PROZA TOT AAN HET EERSTE OORLOGSJAAR. □

maakt, ondanks zijn uiterlijk-voorname strakheid, het werk van den, in 't zelfde jaar geboren, Henri van Booven, wiens Tropenwee, een inderdaad doorléden boek over 'tgruwelijk leven der Europeanen aan den Congo, zekere welverdiende sensatie veroorzaakte, maar die in latere publicaties (eenige zijner fraaie Sproken wellicht uitgezonderd) geregeld min of meer tegenviel.

Ook deze Henri van Booven wordt wel onder de neo-romantici genoemd. Ik meen echter dat bijv. het werk van Nico van Suchtelen (geb. 1878) — als dichter reeds genoemd — op die kwalificatie meer aanspraak maken kan dan Van Booven of zelfs Van Moerkerken. Ik denk ook daarbij, weliswaar, vooral aan de duitsche romantiek. Ook bij Van Suchtelen vindt men het romantisch, en min of meer tragisch besef van dichterlijke afzondering, de poëtische verzuchting naar een ander, een hooger bestaan, naar bevrediging der diepste, der meest mysterieuse en namelooze zielsbehoeften. Zijn Quia Absurdum ('06) — schoon zich in dit boek nog een haast somber-romantische, pessimistische levensbeschouwing openbaart — maar vooral De Stille Lach ('16) waarin bhjmoediger levensstem-i mingen overheerschen, zijn weisprekend-getuigende, dichterlijk aansprekende boeken; de populariteit van laatstgenoemden roman lijkt mij zéér begrijpelijk; ziedaar nu een boek zooals het groot publiek het zoo gaarne heeft; het is aangenaam-moraliseerend, het geeft een richtsnoer voor het leven, zonder lastige spiegels voor te houden.

Iets romantisch leeft er stellig ook in R. van Genderen Stort, die in 1912 begon te publiceeren (Idealen en Ironieën, 1912; Paul Hooz en Lambert Brodeck, 1913; Hélène Marveil, 1917). Wat Van Booven wel eens voorzweefde, het geven van zeker soort geestesverfijningen in dandieuse romanfiguren — naar binnen gekeerde ] Übermenschen, in het werkelijk leven geraffineerd comediespelend — dat bereikte vrijwel deze jongere. Zijn werk, tot dan toe meer curieus dan mooi misschien, begon te stijgen