is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET PROZA SINDS 1914.

115

groote geestverwantschap ontmoetten — met hun beiden zijn zij er in geslaagd van een nieuwe strooming of richting in onze litteratuur te doen spreken. Dit zou dan een min of meer ethische, religieus-moralistische richting zijn. Toch verwerpen zij beiden, ten eenenmale, alle vergelijking met de dominees, en hun deftig-suffe periode, die aan de jaren van '80 is voorafgegaan. En dit met recht. Veel ruimer en levend-menschelijker, veel ernstiger en geestdriftiger zijn zij stellig dan de predikanten van het genre Ter Haar en Beets, Hasebroek en Ten Kate. Geestdriftiger — voor wat?

Coster en Havelaar hebben te zamen een tijdschrift opgericht: De Stem, zij zijn er de eenige redacteuren en méér dan „de redacteuren" van. Wat wil deze Stem? Een sterke, luidsprekende stem zijn ten eerste, een stem als de klok die op het omslag staat afgebeeld. Tegenover het, volgens deze „vergeestelijkten", te sterke sensualisme, te persoonlijke sensitivisme, tegenover de „1'art pour 1'art"leuze (bijna altijd verkeerd begrepen) en de zg. amoraliteit van den Nieuwen Gids en zijn nakomelingen, willen Coster en Havelaar de stem doen klinken van ons als vernieuwd geweten. Ik zeg niet: van ons litteraire of artistieke geweten, want met zoo iets speciaals willen deze moralisten juist niets te maken hebben. Zij willen: volledige menschen zijn, zij achten den moreelen mensch in ons, modernen, verwaarloosd; het is op zij n goed recht dat zij aandringen, geduriglijk. Dat zij niettemin vaak aan predikers, aan boetpredikers zelfs, doen denken, 't ligt misschien wel hoofdzakelijk aan het contrast hunner figuren met die hunner onmiddellijke voorgangers, die immers — het moet grif worden toegegeven — zich met moralistische beschouwingen in 't geheel niet inbeten. Zij bepaalden zich tot hun pogingen iets moois te maken, meenende dat van schoonheid veredeling uit moest gaan. Intusschen ook Coster en Havelaar, het zijn waarlijk geen huiselijke deugden die zij trachten te propageeren. Ook zij wenschen