is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

ONZE LITTERAIRE TIJDSCHRIFTEN, CRITICI EN ESSAYISTEN.

Mijn taak had' thans haar einde gevonden, ware het niet dat de geschiedenis van een periode onzer letteren, waarin geen melding zou worden gemaakt van de voornaamste, dat tijdperk min of meer beheerschende, litteraire tijdschriften — hun critiek, hun leiding — mij al te onvolledig zou voorkomen. Hun leiding — ziedaar een woord met twee beteekenissen, een actieve en een passieve. Helaas is het in dit geval, en tegenwoordig, niét dubbelzinnig meer. Want hoe voortreffelijk, in vele opzichten, sommige onzer tijdschriften ook geleid mogen wórden, zelf leiden doen zij geen van alle. Ook al zijn er verscheiden die „gids" heeten. De oude, de grijze, De Gids, zonder meer — nog altijd Hollands deftigste, meest in aanzien zijnde periodiek — eigenlijk al sedert 1865, toen Potgieter en Huet door hun medeleden geërgerd, de redactie in de steek lieten, heeft hij zijn leiderschap moeten missen. En dat niettegenstaande zijn — soms jarenlang latent blijvende, dan weer uitbrekende — vitaliteit, zijn bewonderenswaardige zelfverjongingen, herhaaldelijk, en niet zonder zelfverloochening toegepast. Ging het op den duur niet met W. G. van Nouhuijs, den rustig humanen criticus, die liever een eigen tijdschrift oprichtte (Groot-Nederland) waarin hij kon doen wat hij wou, bleek ook de mondaine en cosmopolitische Couperus in het zoo bij uitstek hollandsche, en altijd eenigszins professorale milieu der Gidsredactie niet op zijn plaats te zijn, kon deze redactie ook den fijnen jongeren criticus en essayist Carel Scharten niet blijvend aan zich verbinden, Jöhan de Meester, de onvermoeide, bleek bereid een deel van zijn steeds zoo druk omworven tijd en arbeidskracht aan het oude tijdschrift te wijden, ja zelfs die voortreflijke jonge dichter A. Roland Holst verkreeg een plaats in de Gids-

VIII. De Nederl. Litteratuur na '80. 9