is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

ONZE LITTERAIRE TIJDSCHRIFTEN, ENZ.

het woord zooeven met een ghmlach neer. Met zóóveel dichters en prozaïsten, zóóveel tijdschriften en bladen die recensies en andere litteraire bijdragen publiceeren, zou men er waarlijk bijna aan gaan gelooven, en toch — neen, een echt „litterair leven" bestaat in Nederland eigenlijk niet. Er is een politiek, een commercieel, een sport-leven, maar het litteraire, zoo er hier en daar een mocht ontitfiken, dan is dat toch altijd maar tijdelijk en zwakjes; het nederlandsche volk leeft niet, zooals het fransche, bij brood,

wijn, kunst en litteratuur „Feuilletons en kiekjes", zei

Zebedeus.... En inderdaad, dat schijnt genoeg te zijn.

Van Deyssel heeft het indertijd al opgemerkt: in Nederland zegt men: ik ben in den handel, in de industrie, in de rechterbjke macht, in de.-... muziek desnoods nog. Maar niemand zegt: ik ben in de litteratuur. De litteratuur schijnt niet zoo iets te zijn, waar men „in" kan zijn. Men is hier dokter of predikant, leeraar, industrieel, uitgever, advocaat.... en men schrijft. Men leeft niet van zijn pen, tenzij.... in de journalistiek.

En ook onder het litterair-gevoelige publiek heerscht niet wat men litterair leven noemt. Er zijn geen litteraire salons of litteraire gezelschappen — er zijn hoogstens „Nutten" (of soortgelijke vereenigingen) die „lezers" inviteeren1). Nederland heet een boekenkoopend land, maar er zijn toch maar zeer weinig Nederlanders die „litteratuur" koopen, men leest romans („romannetjes") uit de portefeuille van een leesgezelschap. Van verzenbundels worden zeer kleine oplaagjes verkocht, aan jongelui.

Deze toestand moge in menig opzicht betreurenswaardig zijn — hij heeft ook zijn goede zijde. Dat men in Holland zijn levensonderhoud niet met boekenschrijven verdienen kan, het houdt onze litteratuur rein. Fabrikanten van

>) Het is hier de plaats om met groote waardeering te gewagen van twee werkzame en talentvolle propagandisten onzer litteratuur: Herman Poort en Mevrouw W. L. Boldingh—Goemans.