is toegevoegd aan uw favorieten.

De toekomst onzer sociale verzekering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

Wat dit laatste betreft heeft de ervaring m.i. voldoende aangetoond, dat de?e vrees ongemotiveerd is. Het komt mij voor, dat Minister Talma toen te veel waarde heeft gehecht aan de bezwaren van de medici en niet onjuist acht ik het bij die discussie door vele leden aangevoerde argument, dat door de bepaling, dat de arbeider die nóch is ingeschreven bij een toegelaten ziekenfonds nóch aantoont, dat hij geneeskundige hulp kan krijgen, geen ziekengeld ontvangt, de arbeiders eigenlijk indirect toch verplicht worden zich te verzekeren. Ik betreur dan ook, dat op 27 Juni 1911 de Tweede Kamer heeft uitgesproken, dat de wettelijke ziekteverzekering moest worden beperkt tot uitkeering van ziekengeld met uitsluiting van de zorg voor geneeskundige hulp. Vooral omdat m.i. die stemming niet geheel vrij was. Immers vond zij plaats onder indruk van de mededeeling des Ministers, dat hij door opneming van de geneeskundige behandeling de zaak onuitvoerbaar achtte. Ware dit niet het geval geweest, dan, daarvan ben ik overtuigd, zou de beslissing anders zijn uitgevallen. Ik haal als bewijs hiervoor alleen maar aan de volgende uitspraak van Dr. Nolens:

„Ik heb in mijn eerste rede aangegeven, waarom het hier niet „geldt een quaestie van principieelen aard, maar eenvoudig de „vraag, op welke wijze wij, misschien alleen voorloopig, de zaak „het best kunnen regelen. En waar ik dit deed, lag het m.i. voor de „hand, dat ik — wat de heer Van Idsinga afkeurde — aan het „slot van mijn rede de vrees uitsprak, dat, indien men dat vraag„punt ontkennend beantwoordde, de totstandkoming van de wet „gevaar zou loopen. Nu ligt dat duidelijk voor de hand. Ik behoef „daarover den Minister niet nader te spreken, ik lees eenvoudig „de stukken en de Nota en hoor, wat niet altijd gebeurt, met aan„dacht de redevoeringen aan. En zoo hoorde ik den Minister „Zeggen, dat hij met opneming van de geneeskundige behandeling „de zaak onuitvoerbaar acht. Het komt mij voor, dat, als ik aan „een zaak wil medewerken en de persoon, die het ontwerp voorstelt zegt dat iets onuitvoerbaar zal zijn, ik vergeefschen arbeid „Zal verrichten, wanneer ik dat onuitvoerbare dan toch eisch."

Hieruit blijkt wel duidelijk, dat, om de wet geen gevaar te doen loopen, vele leden met den Minister medegingen. Maar als ik hier, los van alle politiek, alleen let op de zaak zelf, dan staat

nnBHBrannB