is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

AANLIGGEN — AANROEPEN

wederverschijning nabij is. In aansluiting met deze toekomst-verwachting teekenen de gelijkenissen den Zoon des menschen als den kloppenden Christus, met name de gelijkenis van de dienstknechten, die hun heer wachten met omgorde lendenen en brandende lampen, en die gereed staan om, wanneer hij wederkomt van de bruiloft en klopt, hem terstond open te doen. Maar ook in mystieken zin wordt Christus gezegd te kloppen aan de deur des harten om er geestelijkerwijze binnen te gaan en er avondmaal met de ziel te houden (Openb. 3 : 20).

Meestal bezigt de Schrift het woord echter als een beeldsprakige uitdrukking voor het bidden der discipelen. Het meest bekend is de vermaning: „Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden" (Luc. 11 : 9—10; Matth. 7 : 7—11). Er ligt in de drie woorden bidden, zoeken en kloppen een opklimming: het bidden geeft eenvoudig de begeerte weêr, die uit een bestaande behoefte opgekomen is en nu bekend gemaakt wordt; het zoeken légt den nadruk op de volharding in het gebed, men denke aan de vrouw die den verloren penning zoekt en niet rust voordat zij hem gevonden heeft; en eindelijk het kloppen ziet op de ervaring dat men voor een gesloten deur staat, m.a.w. dat men de begeerde zaak niet kan bereiken, of dat de Heere aanvankelijk het gebed onverhoord laat; maar wel verre van door deze afwijzing afgeschrikt te worden, houdt de geloovige ook dan in 't gebed aan, en dit overwinnen van 's Heeren afwijzing ligt nu in het kloppen. [ 9.

Aanliggen. Onder Israël had men de gewoonte om bij den maaltijd aan de tafel aan te liggen. In de oudste tijden zat men gehurkt bij de tafel, maar later lag men aan. Men vindt van dat aanliggen reeds een bewijs in Amos 6 : 4. In het N. Testament is het Grieksche woord door aanzitten vertaald (Matth. 9 : 10; 26 : 7; Mare. 6 : 22; 14 : 3, 18; Luc. 5 : 29; Joh. 13 : 23; 21 : 20), maar het beteekent aanliggen. Men ondersteunde het hoofd met den linkerarm. De voeten waren naar achter gestrekt. De plaats rechts was die aan den naastbestaande behoorde. Die rechts aanlag reikte met zijn achterhoofd tot aan de borst van den linksliggende. Vandaar de uitdrukking dat Johannes aan de borst van Jezus aanlag. [ 24.

Aanloopen. I. Het beteekent van menschen zich tegen iemand stellen. Hij loopt tegen Hem aan (Job 15 : 26), maar het kan ook van God gebezigd worden en dan wil het zeggen, dat de Heere zich tegen den mensch stelt (Job 16: 14). — II. Aanloopen kan ook beteekenen iets op iemand leggen. God heeft onze ongerechtigheden op den Middelaar doen aanloopen (Jes. 53 : 6). — III. Aanloopen komt ook voor in den zin van aanhoudend smeeken. Zij hebben Hem als een waterstroom aangeloopen (Ps. 34 : 6). [ 24. ".

Aannemen. I. Aannemen komt allereerst voor in de beteekenis van iets aandoen, ergens mede bekleed worden. Paulus spreekt van het aannemen van eene wapenrusting (Ef. 6 : 13), het aannemen van het schild des geloofs (Ef. 6 : 16). Zoo staat er, dat de Zone Gods onze men¬

schelijke natuur heeft aangenomen (Fil. 2:7). —

II. Aannemen komt in de tweede plaats dikwerf voor in den zin van voorwaar houden. Vandaar de uitdrukkingen eene getuigenis aannemen (Joh. 3 : 11; 3 : 32; 3 : 33; Hand. 2 : 41; 8 : 14; 11 : 1; 22 : 18). In denzelfden zin wordt gesproken over het aannemen van den Heere Jezus Christus, d. w. z. Hem erkennen voor den door God gezonden Zaligmaker (Joh. 1:11; 1:12).—

III. Aannemen beteekent ook zich over iemand ontfermen. Van menschen wordt dit gezegd (Filem. : 12, 17), maar vooral van den Heere (Hebr. 2 : 16). — IV. Aannemen kan ook beteekenen zich iets toeëlgenen (Hebr. 5:4.) — V. Aannemen komt ook voor in de beteekenis van elkander ontvangen en broederlijk met elkander omgaan (Gal. 4 : 14; 1 Cor. 11 : 16; Rom. 15 : 7). — VI. Aannemen komt ook voor in de beteekenis van zich bijzonder openbaren. Gij hebt aangenomen Uw groote kracht (Openb. 11 : 7). [24.

VII. Aannemen, bepaald: aangenomen worden, wordt in den kring der Herv. kerk vaak gebruikt voor het afleggen van openbare belijdenis dés geloofs. [17.

Aanraken. I. In eigenlijken zin beteekent het: de hand ergens' naar uitstrekken en het voorwerp, dat men op het oog heeft, aanroeren. Jezus raakte de kranken aan (Mare. 1 : 41) en de kranken raakten Hem aan (Mare. 3:10; 5:27; 5 : 28; 5 : 30; 6 : 56; 7 : 33;Luc. 6:17;7:14). — II. In figuurlijken zin beteekent het: ergens zich aan gelegen laten liggen. De Farizeeën raakten de geboden, welke zij aan anderen oplegden, zelve niet aan (Luc. 11 : 46). — III. Wanneer het van God gebezigd wordt, duidt het aan, dat de Heere iemand bezoekt (Job 19:21), of dat Hij zijn hoogheid en majesteit toont (Ps. 144 : 5). [ 24.

Aanroepen. Het aanroepen van den Naam des Heeren is een der Schriftuurlijke uitdrukkingen voor het bidden. Inzonderheid duidt het aan, dat men hoorbaar en plechtig den Allerhoogste aanspreekt in tegenstelling tot het stille gebed, dat Hanna bijvoorbeeld opzond, en waarvan Paulus eveneens spreekt, wanneer hij handelt over het bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen (1 Sam. 1 : 12—13; Rom. 8: 26). Het ziet dus oorspronkelijk op de aanspraak des gebeds. En daar het zweren nu ook een soort van gebed is, werd het ook wel als eedsformule gebezigd, men denke aan Paulus' zeggen: „Doch ik aanroep God tot een getuige Over mijn ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthe niet ben gekomen" (2 Cor. 1 : 23). ^Aangezien nu het gebed of het bewuste verkeer met God het hoogtepunt van de religie is en alles in den eeredienst deze gemeenschapsoefening met God ten doel heeft, wordt het aanroepen van God of van zijn Naam ook wel in de Schrift gebruikt ter aanwijzing van den eeredienst in zijn geheel. In dezen meer uitgebreiden zin komt het woord voor in Genesis 4 : 26, waar van Enos' dagen gezegd wordt: „Toen begon men den Naam des Heeren aan te roepen." Hiermede wordt de aanvang geteekend van den publieken eeredienst, zooals hij zich later in onze godsdienstoefeningen ontwikkeld heeft.