is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ABINADAD

■oor zijn onderdanen, was ook niet vrij van nijd en argwaan (vs. 14, 16). Toch liet hij geen grove overtreding der zedelijkheid toe (vs. 10 vv.) en was voor hoogere waarheid niet geheel doof

Kvs. 26—31). — 3. Ook de latere koning der Filistijnen, Achis (1 Sam. 21 : 10), heet (Ps. 34) Abimelech.

I II. Bastaardzoon van Oideon (Richt. 8 : 31), Idie door leugen en het vermoorden zijner broeders de heerschappij over Israël bekwam (het eerste ! Voorbeeld van zoo iets). Onder denzelfden ouden ;eik, onder welken het volk gezworen had God alleen te zullen dienen (Joz. 24 : 26; vgl. Gen. 35 : 4), huldigde het volk, vooral de afgodisch gezinde lieden, den muiter (Richt. 9 : 6). Zijn heillooze heerschappij duurde'slechts drie jaar. Hij bedwong wel het oproer der Sichemieten onder den pralenden Gaal en nam een bloedige wraak, maar bij de vesting Thebez vond hij Hoor de hand eener vrouw den dood. I Ablnadad. I. Leviet te Kirjath-Jearim, wiens buis op een heuvel stond, waar de arke des verbonds, die de Filistijnen hadden medegebracht, 60 a 70 jaar bleef, tot David haar terughaalde (1 Sam. 7:1; 2Sam.6:3; 1 Kron. 14). — II. De tweede broeder van David (1 Sam. 16 : 8; 17 : 13; 1 Kron. 2 : 13). — III. De tweede zoon van Saul, met Jonathan in den oorlog gesneuveld (1 Sam. 31 : 2; 1 Kron. 11 : 2).

Abiram, d.w.z. „vader der hoogte". Hij was met Dathan een der opstandelingen tegen Mozes in de woestijn (Num. 16 : 1).

Abisag, d.w.z. „dochter der dwaling", van Sunem. Zij was een dienstmaagd van David in zijn ouderdom (1 Kon. 1 : 3). Uit haar historie blijkt de ellende der polygamie.

Abïsal, neef van David. van ziin halve zuster

Zeruja, Joabs broeder (1 Kron. 2:16), een moedig held, die David des nachts tot in Sauls leger vergezelde en Saul wilde doorsteken (1 Sam. 26 : 8); met Joab sloeg hij Abner (2 Sam. 2:24) en nam aan diens vermoording deel (3 : 30); hij overwon de Ammonieten, die met de Syriërs tegen David streden (10 : 10—14) en den vluchtenden Simei' het hoofd wilden afslaan (16:9); als ■eldhoofdman was hij over een derde deel van het leger tegen Absalom geplaatst (18:1), joeg den oproermaker Seba op de vlucht (20:6,10), redde David uit de hand van den reus Isbi (21 :16 v.); het Joab (Ps. 60 : 2) sloeg hij 12000 Edomieten in het Zoutdal en bracht Idumea onder Davids heerschappij (1 Kron. 19 : 12 v.). Hij was de voornaamste in het klaverblad van Davids helden en heeft met eisren hand 300 vijanden crprinnH

(2 Sam. 23 : 18; 1 Kron. 12 : 20 v.), maar was, evenals Joab, door zijn gewelddadigheden en wraakzucht David tot last (2 Sam. 3 : 39). R Abjathar, zoon van den hoogepriester Achimelech, ontvluchtte uit Nob, toen Doëg de priesters vermoordde, tot David (1 Sam. 22:20—23). Daar Saul zijn plaats aan Zadok overdroeg, Wilde David den laatste niet afzetten en toch de trouw van Abjathar beloonen; daarom waren er gedurende Davids regeering twee hoogemesters tegelijk in het ambt (2 Sam. 20 : 25). Abjathar bewees aan David reeds gedurende diens regeering, maar bijzonder bij het oproer mn Absalom, gewichtige diensten (2 Sam. 15:24,

Ene. I

— ABRAHAM 17

35; 17 : 15), en bemiddelde de verzoening na den burgerkrijg (19 : 11). Hij was echter meer aan den persoon van David, dan aan de zaak der theocratie gehecht en liet zich later in de samenzwering van Adonia medesleepen. Hij werd dan ook door Salomo van zijn ambt ontzet, maar, omdat hij zoovele jaren David trouw gediend, en het heiligdom gedragen had, niet om hoogverraad gedood, maar naar Anathot gebannen (1 Kon. 2:26). Zoo werd naar de profetie (1 Sam. 2 : 30—35) de hoogepriesterlijke waardigheid van het geslacht van Eli en Ithamar, weder aan het geslacht van Eleazar overgedragen; Abjathar schijnt zijn titel evenwel behouden te hebben (1 Kon. 4:4).

Abner, Sauls neef (1 Sam. 14:50), het eerste lid der familie, die na het wederkeeren van Saul de verandering bemerkte, die er met hem had plaats gegrepen en hem over zijn ontmoeting met Samuel uitvroeg (10 : 14—16); later Sauls veldoverste (14 : 50), die de bestemming van David tot den troon wel kende (2 Sam. 3 : 9, 18), maar er zich weinig om bekommerde (1 Sam. 17 : 55—58), en hielp om David te vervolgen. Door zijn onvoorzichtigheid bracht hij Sauls leven in gevaar (26 : 14 v.). Na Sauls dood stookte Abner den burgeroorlog aan, en zocht daarna door het plan om twaalf man twee aan twee te laten vechten verder bloedvergieten te voorkomen, maar vergeefs (2 Sam. 2 : 14—16). Na in een hevig gevecht geslagen en door Asahels dood uit groot gevaar gered te zijn, vermaande Abner tot vrede (2:26) en trok zich in de residentie van Isboseth terug, maar alleen om zich tot een nieuwen krijg toe te rusten (3 : 6). Daar hij echter door zijn eigenmachtige verbinding met een der overgebleven vrouwen van Saul de verdiende berisping van Isboseth op zich laadde, ging hij tot Davids zijde over, en zocht zijn persoonlijke hartstochten achter een verwijzing naar de Goddelijke belofte te verbergen (3 : 9 v.; 17—19). Door David aangenomen en geëerd, meende Abner juist de vereeniging van het gansche volk onder Davids schepter eenige schreden verder te brengen, toen hij door Joab en Abisaï, die om Asahels dood een Moedigen wrok jegens hem koesterden, teruggeroepen en bij sluipmoord om het leven werd gebracht. Hij werd door David, die een treurzang op zijn dood dichtte, en door het geheele volk oprecht beweend en te Hebron begraven (2 Sam. 3). Zijn dood werd later op Davids bevel aan Joab gewroken (1 Kon. 2:5,32). Hoewel hij vele verkeerdheden had, wisten David en Salomo toch de dappere daden van Abner naar waarde te schatten (1 Kon. 2 : 32); zijn nagedachtenis werd door David in eere gehouden, daar hij Abners zoon Jasiël tot vorst over Benjamin verhief.

Abraham. Een volledig levensbeeld geven de aan „den vader van alle geloovigen" (Rom. 4:11) in Genesis gewijde hoofdstukken (12—25) niet, althans indien we daaronder verstaan een breede beschrijving van levensdaden en teekening van de achter de uitwendige handelingen liggende ethisch-religieuse beweeggronden. Veeleer worden in chronologische orde slechts enkele momenten uit het aan geloofsvoorstellingen zoo

2