is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18

ABRAHAM

rijke leven van dezen „held des geloofs" geteekend, waarin bijzonder in het licht wordt gesteld wat de Heere voor Abraham deed en hoe Hij hem tot Israëls stamvader maakte. Daarbij wordt echter de geestelijke inhoud der goddelijke openbaringsdaden niet in den breede toegelicht, maar veeleer worden overeenkomstig het ontwikkelingskarakter der openbaringsgeschiedenis die daden zelf in den vorm van een geschiedverhaal geteekend, terwijl eerst in later volgende gebeurtenissen de rijke inhoud van de Goddelijke bemoeienissen met Abraham wordt gezien. Meer dan van eenig ander geloofsheld geldt van Abraham, dat zijn leven eeuwen omvat.

Zijn geschiedenis 'komt op uit Sems lijst (Gen. 11 : 10 v.v.), welke niet anders geeft dan een uniforme opsomming van opeenvolgende geslachten van Sem tot Terach zonder ook maar de geringste aanwijzing te bieden van het godsdienstig leven van dezen volkerenkring. Eerst bij Terach wordt de kroniekmatige optelling afgebroken en worden nadere bijzonderheden gegeven omtrent het uit hem zich ontwikkelende geheel, waarbij intusschen door niets wordt aangeduid, dat juist dit geslacht zich door zuiverder Godskennis onderscheidde. Al is dan ook Abraham niet als zijn tijdgenoot Melchizedek zonder vader, moeder en geslachtsrekening (Hebr. 7:3), in zooverre staat hij toch voor ons zonder nadere aanknooping aan het leven der voorgeslachten, als hij zonder meer in Gen. 12 binnen onzen gezichtskring wordt gevoerd als object van een Goddelijke openbaringactie van de meest vérstrekkende gevolgen. Slechts wordt ons in Gen. 11:31 medegedeeld, dat hij afkomstig was uit Ur der Chaldeën, hoogstwaarschijnlijk het tegenwoordige Moeqajjar, „asfaltstad", eertijds de hoofdstad van een der vele koninkrijken, die in den vóór-Abrahamitischen tijd in de vlakte van Sinear hebben gebloeid, en met zijn vader Terach naar Haran (eig. Charran, „weg") trok, een hoogst belangrijk knooppunt van wegen ten Noorden van den Eufraat in een dal aan den bovenloop van den Balich gelegen en evenals Ur een hoofdplaats voor de vereering van den maangod Sin.

Dat dit geschiedde op grond van een bevel Gods wordt Gen. 11 : 31, waar veeleer Terach als leider wordt genoemd, niet gezegd. Ook uit Gen. 15 : 7 mag dit niet worden opgemaakt, wijl hier niet anders wordt verzekerd dan dat het 't gevolg was van een bijzondere leiding Gods, toen Abraham met zijn vader Terach Ur verliet om in de richting van Kanaan te trekken. Veelèer volgt uit Gen. 12 : 1 („en de Heere zeide tot Abraham"), dat het bevel om zich van het historisch, ethisch-religieus en sociaal milieu, waaruit hij was opgekomen, los te maken en zich volkomen aan de leiding van den zich aan hem openbarenden God over te geven, tof hem gekomen is gedurende het naar zijn tijdsduur niet nader omschreven verblijf te Haran.

Dat de Heere Abraham niet riep op grond van de in zijn kring nog levende Godskennis zegt Jes. 29 : 22, waar zijn roeping geteekend wordt als een verlossende heilsdaad Gods, welke genadedaad in Jes. 41 : 8 een grijpen en roepen wordt genoemd. Trouwens, hoeveel polytheïstische

denkbeelden en gebruiken voortwoekerden in den kring, waaruit Abraham opkwam, leert Gen. 30 : 27, waar Laban gebruik maakt van een der Deut. 18 : 9—22 verboden practijken, die ten doel hebben door het waarnemen van voorteekenen den wil Gods te leeren kennen. Evenzeer Gen. 31, waar niet alleen uitdrukkelijk onderscheiden wordt tusschen den God van Jacobs vader en dien van Laban (vs. 5, 29, 42), maar Laban ook in vs. 30 Jacob beschuldigt van diefstal van zijn goden. Voorts Gen. 35 : 4, waar sprake is van „alle vreemde goden", welke Jacob verwijderd heeft vóór hij van Sichem naar Bethel ging en waarin we inkruipsels hebben te zien van polytheïstische practijken uit het leven van Jacobs Arameesche verwanten. Eindelijk Joz. 24:2, waar van Israëls vaderen gezegd wordt, dat ze aan de overzijde der Rivier „andere goden" hebben gediend. Dit alles bewijst, dat ook in Abraham s kring de oude zuiverheid der Godskennis niet bewaard bleef en ook hier degenereerende invloeden zich deden gelden. Abraham is geboren als lid van een heidense h geworden menschheid en van een familie, waarin het polytheïsme zich steeds krachtiger baan brak. Hij is niet als Noach door trouwe bewaring van de erve der vaderen de rechtvaardige, dien Gods zegen tot den eersteling eener nieuwe wereld maken kon, maar hij is van huis uit de onrechtvaardige, dien God met bedekking van al zijn zonden rechtvaardigde, omdat hij, toen God zich aan hem kennen deed, door zijn levensgedragingen bewees dienovereenkomstig zijn leven te willen richten.

De Goddelijke openbaring komt tot Abraham niet in den vorm van een mededeeling over het wezen Gods en over den vorm der Hem verschuldigde vereering, maar als een mededeeling Qods over zijn bedoeling om Abraham door de isoleering van zijn geslacht als den vertegenwoordiger van dezen God en van diens zedelijke religie onder de volken tot een universeele beteekenis te laten opgroeien door onvergelijkelijken zegen. Deze mededeeling is een persoonlijke belofte van iets toekomstigs („Ik zal"), dat op geenerlei wijze uit de tegenwoordige werkelijkheid voortvloeit, maar waarbij het voor Abraham aankomt op een volkomen en onwankelbaar vertrouwen op de gunst van dezen God als de alles beheerschende macht en het zich laten leiden door Hem ook déar, waar natuurlijke neiging of berekening van levensverhoudingen lokt tot een zich onttrekken aan zijn leiding. Dè eerste verzen van Gen. 12 bevatten dan ook niet eenige zware en moeilijk te volbrengen eischen, waaraan een reeks van beloften verbonden wordt, opdat Abraham niet zou bezwijken onder den last der geboden, maar bewijzen in - verband met Gen. 11 : 31 veeleer hoe de Heere ingaat op de gedachten en plannen van den mensch, welke nooit en vooral bij Abraham niet (15 : 7) zonder zijn toedoen ontstaan. Abraham zal mogen uitvoeren wat reeds lang in zijn ziel leefde: zich losmaken van oude banden. Alleen, Abraham moet zich daarbij uitsluitend laten leiden door dien God, die zich met zijn „Ga gij.... en Ik zal" aan Hem openbaart. Het woord is dus geen eisch, maar wordt bij gehoorzaamheid van Abrahams zijde de eerste groote belofte. Als