is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFLAAT

49

ft In dit verband wordt de aflaat of de kwijtschelding van de tijdelijke straf verstaan. De ; doop, zoo leerde men, bevrijdde van de schuld "en de straf der zonde. Door de boete wordt de mensch wel van de schuld en de eeuwige straf verlost, maar niet van de tijdelijke straf. Deze moet nu de zondaar zelf ondergaan en loskoopen door God een genoegdoening te geven. Wijl nu deze penitentie, die straf en de genoegdoening, niet volkomen is in dit leven, moet zij aangevuld worden na den dood in het vagevuur. De aflaat kan van deze tijdelijke straf bevrijden.

Voor zoover bekend is werd de oudste aflaat in het jaar 1016 door bisschop Pontius van Arles gegeven ten behoeve van den bouw eener kerk. De eerste pauselijke aflaat is van het jaar 1091, weldra gevolgd door den aflaat van paus Urbanus II, die in naam van de aposteloversten Petrus en Paulus in het jaar 1095, op het Concilie van Clermont aan de kruisvaarders een Kwijtschelding van alle boete gaf. De opvolgers van dezen-paus bedienden zich van hun macht om aflaten te geven aan hen, die deelnamen Kan den strijd tegen de Saracenen, aan een veldtocht tegen de Slaven, de Esten en tegen de ■etters. Zij wordt in den regel genoemd een verlichting (relaxatio), een vergeving (remissio, venia), kwijtschelding (indulgentia) van alle ponden, of ook een volle vergeving. Deze kwijtschelding der straf had niet meer zooals vroeger petrekking op de kerkelijke straf, maar op de ■oor God voor den begenadigden zondaar beschikte straf, die zoowel in dit leven als in het Bekomende leven moet worden gedragen. De boete en de straf moeten, in evenredigheid met de zwaarte van de beleden zonden, aan God betaling geven, en door deze genoegdoening .moet de zondaar zich uiterlijk vrijmaken van de macht der zonde. En omdat deze boetedoening in den regel niet gereed komt in het leven, moet zij na den dood worden aangevuld door het lijden in het vagevuur.

Door deze leer komt Rome in strijd met wat ge Heilige Schrift leert over de schuld en de straf der zonden, en de vergeving. Wanneer Christus de schuld heeft betaald, dan is de zondaar, die Christus' eigendom is, vrij van straf. Godeischt pet meer een voldoening voor wien.Christus een lolkomene gerechtigheid heeft teweeggebracht. Maar de Roomsche kerk heeft deze leer van boete en aflaat noodig, omdat zij de kerk gesteld heeft tot middelares der zaligheid. Onder den schijn den mensch door plichten en boetedoeningen te prikkelen tot goede werken, heeft de Roomsche kerk de zedelijke kracht der waarleid verminkt. Rome wil de groote massa onder haar vleugelen houden, en zij schikt zich naar ken die geen begeerte noch kracht kennen om heilig en vroom te leven. Doch omdat het hart van den mensch hem zegt, dat hij toch niet goed is en de zonde niet ongestraft kan blijven, daarom geeft de kerk gelegenheid, dat de zonde kan geboet worden, hetzij in dit leven of hiernamaals in' het vagevuur. Maar nu komt de kerk deze zondaren ook nog tegemoet door hen in de gelegenheid te stellen door geldboeten, schenkingen, zelfkastijding of eenig ander uitwendig Ene. I

goed werk de schuld of straf te vergoeden en daarom geeft de kerk aflaten. Zij, die de diepte van schuldbesef niet kennen, de geheimzinnige magische werking der kerk bij de boete niet verstaan, kunnen, door het volbrengen van bijzondere werken, tot de overtuiging komen, dat het verder goed is, en dat zij voor tijd en eeuwigheid door de bemoeienis der kerk geborgen zijn. De kerk laat den zondaar, die uitwendig doet wat zij zegt, die offers van geld of van zelfverloochening brengt, nooit los en verzekert hem dat zij hem uit den schat der kerk zal doen toevloeien vergeving van zonden, van tijdelijke en eeuwige straffen.

Immers de Roomsche leer over den aflaat is deze. Volgens Thomas dienen de aflaten voor de kwijtschelding van de tijdelijke straf, welke iemand zoowel op aarde als in de toekomst moet ondergaan. De gerechtigheid Gods eischt dat geen enkele zonde ongestraft blijft, en dat ook de mensch moet doen wat hij kan doen. Nu wordt bij den doop de schuld der zonde weggenomen, en ontvangt de gedoopte bij den doop de genade des geloofs en de kracht tot de goede werken.

Maar wijl hij de bij den doop ontvangen genade door doodzonde weder kan verliezen en tevens wijl hij zondaar blijft, wijl de begeerlijkheid des vleesches, die op zich zelf wel niet zondig is, maar toch een voedsel geeft voorde zonde, en hem prikkelt tot nieuwe zonden, in hem overblijft, daarom heeft hij noodig de genade der boete, waarbij de kerk den zondaar verlost van de schuld en de eeuwige straf. Doch ook daarna moet hij zelf nog boeten voor de tijdelijke straffen, die hij door volle genoegdoening moet betalen. De kerk kent aan behoeftige en waardige leden der kerk iets toe uit de oververdienste van de kerk, en scheldt hun daarvoor gedeeltelijk of geheel de straffen kwijt. Maar de berouwvolle zondaar moet ook zelf wat doen, namelijk een gave in geld schenken of eenig ander verdienstelijk werk volbrengen. Dat is de aflaat. De aflaat stelt dus niet vrij van den plicht berouw te toonen, neen, berouw wordt verondersteld. Alleen die boete gedaan hebben ontvangen aflaat. Maar de zondaar moet zelf ook verdienstelijk werk verrichten. God heeft zich gebonden deze betaling te accepteeren. De kerk steunt dus de boetende zondaren door den aflaat, vuurt de lauwen en de tragen aan.

Zoo was de theorie. Maar de practijk sloeg veelal andere wegen in. Zij liet met opzet in het onzekere wat eigenlijk het doel van den aflaat was, wat door den aflaat werd vergeven; zij stelde den noodzakelijken eisch van berouw en bekeering niet voor de consciëntie, zij had vaak tot uitgesproken doel zooveel mogelijk geld te verkrijgen en de macht en de heerlijkheid van de kerk te vergrooten, en daardoor werden de aflaten soms schandelijke practijken, waarbij de naam van Christus werd onteerd, en een blaam gelegd werd op de kerk en de geestelijkheid. De practijk van deze misbruiken werd zoo, dat ieder, die zich maar aan de Roomsen Catholieke kerk onderwierp, en die niet geheel tevreden is over zich zelf, zalig kan worden, en vrij van tijdelijke en eeuwige straffen, indien

4