is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFSCHEIDING

61

Art. 28 en 29 der Ned. Geloofsbelijdenis, daar zij de leer verminkt, het sacrament verontreinigt, de tucht verzuimt en de geloovigen vervolgt. De acte veroordeelde verder de door de Ned. Herv. kerk geëischte onderwerping aan de synodale reglementen, zonder aanwijzing dat die gegrond zijn op Gods Woord, weshalve zij zich afscheiden naar Art. 28 van degenen, die niet van de 'kerk zijn en dus geen gemeenschap meer willen hebben met de Ned. Herv. kerk, totdat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren. Eindelijk verklaarde ze, dat zij zich in alles houden aan Gods heilig Woord en aan de aloude Formulieren van eenigheid, in alles op dat Woord gegrond, aan de oude kerkelijke liturgie en „voor het tegenwoordige" aan de Dordtsche Kerkenorde.

Zoo was dus Ulrums kerk de eerste vrij-gemaakte gemeente. Maar de actie breidde zich moor het gansche land uit. Allereerst te Doeveren. FDaar werd 29 October 1834 Ds. Scholte door pet Classicaal bestuur van Heusden wegens zijn optreden te Ulrum zonder verlies van tractement in zijn ambt geschorst. Maar reeds binnen drie dagen werd deze schorsing beantwoord door toezending van een Acte van Afscheiding, geteekend door lidmaten en inwoners der Gereformeerde gemeente van Doeveren, Genderen en [Gansoijen, waarbij een begeleidend schrijven van de ouderlingen en diakenen gevoegd was, en de perklaring van Scholte, dat hij de schorsing verwierp en zijn gemeenschap met het tegenwoordige kerkbestuur verbrak. Daar bijna de gansche gemeente zich afscheidde, dacht men in _ het bezit der kerkelijke goederen te zullen blijven. Maar terstond werd hun het vergaderen in de openbare kerkgebouwen te Doeveren en Genderen belet; ook moesten alle goederen, papieren en gelden worden afgegeven. Toen hieraan niet werd voldaan, werd Scholte 10 December 1834 geheel van zijn bediening ontzet en de kerkeraad voor drie maanden geschorst.

In 1835 (7 October) volgde nu de afzetting van den getrouwen leeraar Ds. Antony Brummelkamp, zelfs zonder eenige voorafgaande schorsing, door het Provinciaal kerkbestuur van Gelderland.

Simon van Velzen werd 9 December 1835 door het Provinciaal kerkbestuur van Friesland provisioneel geschorst. Toen zag hij zich genoodzaakt het bestuur der Ned. Herv. kerk als antichristelijk te verwerpen, overeenkomstig art. 28 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis, hierin gevolgd door slechts weinige gemeenteleden. Zijn afzetting geschiedde op 13 Januari 1836.

Ds. Gezelle Meerburg werd, zonder voorafgaande schorsing, op 24 November 1835 van zijn bediening ontzet.

Al deze banvonnissen hebben de synodale ^organisatie voor altoos geschandvlekt.

Maar nog meer zou het officieele Nederland zich aan deze Afgescheidenen vergrijpen. Door de beruchte toepassing van de Artikelen 291, B92 en 293 van den Code Pénal (uit den Napoleontischen tijd) werd hun het houden van godsdienstige samenkomsten van overheidswege schier onmogelijk gemaakt. Als misdadige revolutionairen werden ze uiteengejaagd, mishandeld,

met geldboeten en gevangenisstraffen vervolgd. De Cock en Scholte verkeerden eens in ernstig levensgevaar. Het grauw, orgaan der publieke opinie, bijna aangevoerd door de politie, en maar al te vaak aangevuurd door Hervormde predikanten, toonde zich volijverig om de „fijnen" uit te roeien. Vele duizenden werden aan boeten betaald en menige familie werd verarmd of geruïneerd. Het grootste kwelmiddel waren de inlegeringen. De houding der militairen was doorgaans ruw en onbeschoft. Het gerucht van de vervolgingen in Nederland drong zelfs in het buitenland door en werd daar luide gelaakt. Mr. A. M. C. van Hall sprak zijn meesterlijke pleitredenen uit; zelf woonde deze deftige Amsterdamsche advocaat de godsdienstige samenkomsten der Afgescheidenen bij. Mr. Groen van Prinsterer schreef zijn „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen, aan het staatsrecht getoetsf'. En God hield Zijn werk in stand.

Nog zou voor de Afscheiding aanbreken de „crisis der jeugd". Allerlei moeilijkheden rezen. De Cock en Van Velzen stonden weldra tegenover Scholte, Meerburg trok zich in rustig isolement terug, terwijl Van Raalte en Brummelkamp een eigenaardigtusschenstandpunt innamen. De Synode van Amsterdam (1843) kon niet worden voortgezet wegens gemis aan eenheid, 't Viel zoo moeilijk de verschillende stroomingen in Gereformeerde bedding te leiden. De Vaderen der Scheiding hadden aan 's lands hoogeschool nimmer met de Gereformeerde leer en kerkregeering kennis gemaakt. Ook was in de eerste jaren de opleiding tot den dienst des Woords gebrekkig en de studiegang te kort, zoodat van hen, die bij de Vaderen der Scheiding hun onderwijs genoten hadden, weinig te verwachten was voor de regeering en de leiding der kerken. Vooral kennis van historie en kerkrecht ontbrak. Maar men zocht en vond elkander op de Synode van Zwolle in 1854. Daar werd besloten tot de oprichting van de Theologische School te Kampen. En sedert ging het kerkelijk leven krachtig vooruit. Zoo heeft God in de Afscheiding door kleine middelen groote dingen gewrocht.

De Afscheiding is dikwerf hard beoordeeld. Ze is genoemd een daad van revolutionaire losscheuring uit een historisch verband, een daad van separatisme, independentistisch van karakter, enz. 't Is waar, de Afscheiding was geen vrucht van diep-gaande historische en kerkrechtelijke studiën. Tusschen kerk en kerkbestuur werd soms niet scherp genoeg onderscheiden. Uit heel het optreden van de Vaderen der Scheiding spreekt de nood der tijden. Men heeft zich wel eens moeite gegeven, om te bewijzen dat de Afscheiding hemelsbreed verschilde van de Doleantie. Toch zijn ze in beginsel niet andersoortig. Alleen, God repeteert zich nooit in de geschiedenis der kerk. Ook de Afgescheidenen begaven zich buiten het genootschap, om te kunnen blijven in de kerk (Groen van Prinsterer). Nimmer bedoelden zij de vorming eener nieuwe, maar slechts de handhaving en voortzetting, buiten het genootschap, van de gevestigde kerk (Groen van Prinsterer). Ds. Van Velzen Cs. verwierpen nadrukkelijk het bestuur in de Ned. Herv. kerk als anti-christelijk. [ 18.