is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

AMORIETEN

zoowel de eene naam als de andere in ruimeren zin gebrüikt wordt, om heel de vóór-Israëlietische bevolking aan te duiden. Met den naam Kanaanieten is dit het geval in Richt. 1 : 1—33 (vgl. Gen. 10 : 15—19), met den naam Amorieten in Gen. 15 : 16, Joz. 24 : 15, Richt. 1 : 34, 35 en 6 : 10, 1 Kon. 21 : 26, Amos 2:9, 10. Daarentegen hebben we meer reden om te denken aan Amorieten in engeren zin, naar den maatstaf van Num. 13 : 29, in zulke plaatsen, waar de naam kennelijk van bergbewoners wordt gebruikt. In de geschiedenis der aartsvaders is dit het geval met de bondgenooten van Abraham (Gen. 14 : 13), de tegenstanders van Jacob (Gen. 48 : 22) en de Amorieten van Hazezon-Thamar, die door de koningen van het Oosten verslagen werden (Gen. 14 : 7).

Reeds vóór den tijd van Abraham worden de Amorieten in de Babylonische opschriften vermeld. Ruim 2500 v. C. werden ze verslagen door een koning van de Babylonische stad Akkad (vgl. Gen. 10 : 10). In de daarop volgende eeuwen had Babylonië telkens aanvallen van hen te verduren. Na verloop van tijd, waarschijnlijk in 2057 v. C, gelukte het een hunner aanvoerders zich meester te maken van de toen reeds oude stad Babel, en daar een Amorietische dynastie te vestigen, die ongeveer drie eeuwen aan de regeering bleef en het Babylonische land tot hoogen bloei bracht. De belangrijkste koning uit deze dynastie was de beroemde wetgever Hammurapi (1955—1912 v. C), waarschijnlijk dezelfde, dien we uit Abrahams geschiedenis kennen als Amrafel (Gen. 14 : 1, 9). Omstreeks 1760 v. C. bracht een inval der Hethieten de Amorietische dynastie in Babel ten val.

Maar in meer Westelijke streken waren de Amorieten nog sterk. Omstreeks 1400 v. C, toen in Syrië en Palestina de Egyptische opperheerschappij bedreigd werd door de Klein-Aziatische Hethieten, wisten de Amorieten zich tusschen deze beide groote mogendheden te handhaven, en vormden vooral in het Libanongebied (vgl. Joz. 13 : 4) een macht, waarmede te rekenen viel. Te oordeelen naar de diplomatieke correspondentie uit dezen tijd hadden ze hun voornaamste steunpunt in de Fenicische stad Tsemar (vgl. Gen. 10 : 18) of Simyra. Hier zetelde wellicht de Amorietische vorst Abdiasirta en na hem zijn zoon Aziru, die hunne positie wisten te versterken door het nu eens met Egypte te houden en dan weer met de Hethieten, ja soms met beide mogendheden tegelijk. Aziru stichtte een Amorietisch koninkrijk, dat gedurende verscheiden generaties in stand bleef. Onder zijn achterkleinzoon reikte de macht van dezen Amorietenstaat nog altoos over heel de Syrische woestijn tot aan de Babylonische grens. In Egyptische opschriften ongeveer uit de jaren 1310—1170 v. C. wordt het Amorietenland meermalen genoemd. Uit de jongste dezer inscripties, die van den Farao Ramses III, blijkt dat de Amorietische staat van Aziru, evenals zijn Hethietische suzerein, onder den voet is geloopen in de toenmalige geweldige volkerenbewegingen, die onder anderen de Filistijnen op den voorgrond brachten.

Naar het meest aannemelijke gevoelen waren

Mozes en Jozua ongeveer tijdgenooten van Abdi-asirta en Aziru. Hiermede komen we op de Oost-Jordaansche koninkrijken van Sihon en Og, die bij Mozes' leven door Israël werden veroverd. Sihon en Og waren beiden „koningen der Amorieten" (Deut. 3 : 8; 4 : 47 en 31 : 4; Joz. 2 : 10 en 9 : 10), en daarbij hebben we naar alle waarschijnlijkheid te denken aan Amorieten in engeren zin, onder anderen wijl ze uitdrukkelijk onderscheiden worden van de Sidoniërs (Deut. 3 : 9), die tot de Kanaanieten in engeren zin behoorden. Het Noordelijkste rijk, dat van Og in Basan, grensde wellicht aan het gebied van Aziru. Het Zuidelijkste, dat van Sihon, die te Hesbon resideerde, maakte scheiding tus-1 schen Ammon en Moab (zie Ammonieten). De verovering van beide koninkrijken, in Num. 21 : 21—35 beschreven, wordt later meermalen herdacht.

We komen nu weer tot de Amorieten ten Westen van den Jordaan. Hier hebben de Israëlieten,1 na de verovering van Jericho, vooral op het gebergte, dus op de Amorieten in engeren zin,.i overwinningen behaald. Wanneer de bewoners van Ai Amorieten worden genoemd (Joz. 7:7),. beantwoordt dit aan de onderscheiding in Num. 13 : 29. Wel moeten we ook nu weer rekenen met het gebruik van den naam Amorieten in ruimeren zin, zooals bij de vijf koningen, op welke jozua de bekende wonderbare overwinning: behaalde, en wier steden grootendeels in de i Judeesche vlakte lagen (Joz. 10 : 5—15). Maar over het geheel slaagden de stammen Israëls er toch niet in, blijvend meester te worden van' de vlakten. De stam Dan werd in het gebergte gedrongen (Richt. 1 : 34). De steden, welker inwoners door Efraïm en Manasse niet werden verdreven, lagen alle in of aan de vlakte (Joz. 16 : 10 en 17 : 11—18, vgl. Richt. 1 : 27—29). Hetzelfde geldt van de steden, die door Aser, Zebulon en Naftali niet volkomen werden ver-j meesterd (Richt. 1 : 30—33), althans voorzoover de ligging dezer steden met zekerheid bekend is. Hiermede stemt overeen, dat we na den tijd van Jozua nog wel hooren van een grootseh krijgsbedrijf, door de Kanaanieten tegen Israël ondernomen (Richt. 4 en 5). Maar van de Amorieten vernemen we iets dergelijks niet.

Ten tijde van Samuël was er „vrede tusschen Israël en tusschen de Amorieten" (1 Sam. 7:14). Al wil men dit ook verstaan van de oude bewoners in het algemeen, dan zijn er toch de eigenlijke Amorieten onder begrepen. Het overblijfsel der Amorieten, dat in Davids dagen nog te Gibeon woonde (2 Sam. 21 : 2), was aller-! minst van ontrouw jegens Israël te beschuldigen.! En alwat verder nog van de Amorieten en andere j oude bewoners was overgebleven, werd door ] Salomo tot slaafschen dienst gedwongen (1 Kon. 9 : 20, 21). Na den dood van Salomo (932 v. C.) lezen we nagenoeg nergens meer van de Amorieten als van een nog bestaand volk. In den regel worden ze slechts vermeld ais een natie, uit het verre verleden (2 Kon. 21 : 26; Amos 2:9, 10; Ezech. 16 : 3, 45; Neh. 9:8; vgl. Jes. 17 : 9 LXX). Alleen Ezra 9 : 1, 2 maakt een uitzondering. Wanneer hier de vorsten vam Juda aan Ezra mededeelen, dat het volk zicht]