is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146

APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS

daarom, dat het apostelbesluit wilde zijn een leefregel, die de Heiden-Christenen hadden in acht te nemen op al zulke plaatsen, waar ook Joden-Christenen waren en de bedoeling was een broederlijk samenleven van Christenen uit de Joden en uit de Heidenen mogelijk te maken. — 4. De brief aan de Galaten geeft in hoofdstuk 2 een verhaal, dat merkwaardig veel op het apostelconvent gelijkt. Toch wordt niet door allen zonder meer aangenomen, dat Paulus in Gal. 2 op dezelfde gebeurtenissen doelt, als in Hand. 15 worden beschreven. De bezwaren tegen vereenzelviging zijn in hoofdzaak twee: „.meerderen meenen, dat de brief aan de Galaten vóór het apostelconvent is geschreven, zoodat Gal. 2 zou samenvallen met Hand. 9 : 27 of 11 : 30, en dit hangt weer daarmee samen, b. dat men niet begrijpt, waarom Paulus zich in den brief aan de Galaten niet eenvoudig beroept op het apostelbesluit, indien dit toch reeds bestond. Ons wil het echter voorkomen, dat het beter is Gal. 2 te vereenzelvigen met Hand. 15 want a. het is nauwelijks denkbaar, dat twee zoo in alles op elkaar gelijkende gebeurtenissen als in Hand. 15 en Gal. 2 worden beschreven niet dezelfde zouden, zijn; .dan zou tweemaal geheel hetzelfde hebben plaats gegrepen. En b. men vergete niet, dat de kwestie in den brief aan de Galaten ietwat anders staat dan te Antiochië. Te Antiochië gaat het om een gemeente, die uit Joden- en Heiden-Christenen bestaat, de Galatische gemeenten waren beslist Heiden-Christelijk en er waren valsche leeraars gekomen, Judaïsten, die predikten, dat de Galaten zich moesten laten besnijden." Hier bestond de kwestie niet, hoe kunnen Jodenen Heiden-Christenen met elkander samenleven. Daarom kon Paulus zich in den brief aan de Galaten niet op het apostelbesluit beroepen, maar gaf hij een principiëele uiteenzetting van de kwestie. [17.

Apostolische geloofsbelijdenis. Dezen naam dragen de bekende „twaalf artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof'. Dat deze artikelen door de apostelen persoonlijk ontworpen, opgesteld en overgeleverd zouden zijn, is niet anders dan een pure legende. Het eerst wordt deze voorstelling gevonden bij Rufinus, aan het eind der vierde eeuw. Zij werd echter reeds in twijfel getrokken door Laurenttus Valla, en later door Erasmus. Doch overigens werd de apostoliciteit van dit symbool zóó algemeen aanvaard, dat men er zelfs in de kringen der Duitsche Hervorming nog geloof aan hechtte, blijkens de Maagdenburger Centuriën I. 2. 68. In de Roomsche kerk zijn nog heden ten dage de meeste theologen van hetzelfde oordeel; slechts weinigen spreken van „een sage". Nog verder gaat de voorstelling, als zouden de apostelen dit symbool langs den weg der inspiratie of althans door bijzondere Illuminatie des Heiligen Geestes rechtstreeks uit den hemel ontvangen hebben. Zij is gegrond op een leerrede, die ten onrechte aan Augustinus wordt toegeschreven, (de 240ste Pseudo-Aug-Homilie). Daarin lezen wij: „Op den tienden dag na zijn hemelvaart zond de Heere zijn discipelen den hun beloofden Trooster. Door dien Geest verlicht, en met de kennis der talen begaafd,

stelden de jongeren de geloofsbelijdenis op. Petrus zeide: „lk geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde". Andreas zeide: „en in Jezus Christus, zijnen Zoon, onzen eenigen Heere". Jacobus zeide: „die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria" enz. De overige artikelen komen dan achtereenvolgens op naam van Johannes, Thomas, Jacobus, Filippus, Bartholomeüs, Mattheüs, Simon, Thaddeüs en Matthias.

Dat deze geheel mechanische vorm van belijden met elk denkbaar karakter van een echte confessie spot, behoeft geen betoog. Trouwens, al blijven er tot op heden aangaande den oorsprong en de ontwikkeling van het Apostolisch Symbool nog vele vragen onbeantwoord, de historische onjuistheid van deze voorstelling is toch wel onweerlegbaar gebleken. Als meest overtuigend bewijs kan wel gelden dat er nog een meer beknopte vorm van het Apostolisch Symbool teruggevonden is, die aldus luidt: „Ik geloof in God den Vader, den Almachtige,. en in Jezus Christus zijn eeniggeboren Zoon, onzen Heere, die geboren is van den Heilige Geest uit de maagd Maria, gekruist onder Pontius

Pilatus en begraven; ten derden dage is Hij (

de hemelen, zit aan de rechterhand des Vaders, vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden; en in den Heiligen Geest; de heilige kerk, de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleesches".

Blijkbaar heeft deze belijdenis een langzaam groeiproces doorgemaakt en zijn er, naar mate meerdere waarheden door de belijdende gemeente geassimileerd werden, ook nieuwe elementen aan toegevoegd, b.v. inzake de schepping, de nederdaling ter helle, de ontvangenis en dood van Christus, en het eeuwige leven.

Wat nu den oorsprong dezer artikelen betreft, dienaangaande wijst ons de trinitarische constructie den weg, d.w.z.: men bemerkt aanstonds dat hier de belijdenis der Drieëenheid heel de samenstelling beheerscht. Alle bijzondere artikelen hangen met de leer van Vader, Zoon en Heiligen Geest organisch samen. Voeg daarbij het sterk individueel gekleurde begin: ik geloof, wat wijst op een persoonlijke belijdenis, een geformuleerd uitspreken van eigen overtuiging, krachtens welke men zich voegde bij de gemeenschap der geloovigen. Bij welke gelegenheid kan een dergelijke persoonlijke confessie der Drieëenheid beter gepast hebben dan bij den Heiligen Doop aan volwassenen, die met de trinitarische formule bediend werd, en wel steeds na afgelegde geloofsbelijdenis ? De eenvoud der catechese in de eerste eeuwen bracht vanzelf mede dat men bedacht moest zijn op korte, bondige formules, die de catechumeen bij zijn komen tot den Heiligen Doop, met hart en mond kon belijden. Denk slechts aan den „Kamerling" met zijn: „Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is". Zoo ontstonden in verschillende gemeenten in het Westen en in het Oosten primitieve doopssymbolen. Bekend is b.v. dat van de gemeente te Rome, dat echter niet vóór pl.m. 120 gebruikt werd. Dit zoogenaamde Symbolum Romanum is de grondslag geworden, waarop