is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ASSOS —

lijke processen uit louter associatie wil afleiden. In de geschiedenis der moderne psychologie neemt dus de associatie een zeer gewichtige plaats in. [ 6.

Assos. Zeestad in Mysië aan den ingang van den Adramyttenischen zeeboezem, tegenover het eiland Lesbos met de hoofdstad Mitylene, van waar zich Paulus op zijn laatste reis naar Jeruzalem inscheepte (Hand. 20 : 13, 14), nadat hij de 9 mijlen van Troas af te voet had afgelegd, terwijl zijn begeleiders den omweg ter zee rondom het voorgebergte Trogyllion maakten.

Assur, Assurteten. Met den naam Assur wordt in het Oude Testament bijna overal Assyrië bedoeld. Het is echter aannemelijk, dat enkele plaatsen een uitzondering vormen. Onder Abrahams nakomelingen uit Ketura ontmoeten we een stam genaamd Assurieten (Gen. 25 : 3). Deze naam is ongetwijfeld afgeleid van Assur, doch hiermede moet een ander Assur bedoeld zijn dan het bekende machtige koninkrijk aan de Tigris. Het moet een Arabische stam zijn geweest in de streek tusschen Palestina en Egypte, waarschijnlijk dezelfde, die voorkomt in de beschrijving der grenzen van het Ismaëlietische gebied (Gen. 25 : 18). Hier kunnen de woorden „daar gij gaat naar Assur" beschouwd worden als een nadere verklaring van de uitdrukking „tot Sur, dat vóór (namelijk: ten Oosten van) Egypte ligt". De naam Sur is dan misschien een kortere vorm van den naam Assur. En wanneer dit niet zoo is, moeten Sur en Assur ten minste in elkanders nabijheid hebben gelegen. Dat dit Arabische Assur ook zou zijn bedoeld in de redenen van Bileam (Num. 24 : 22, 24), komt mij niet aannemelijk voor. Maar wel kunnen zij gelijk hebben, die meenen, dat het voorkomt in een opschrift van het ZuidArabische volk der Mineërs. De inscriptie (wellicht stammende uit den tijd omstreeks 1050 v. C.) spreekt over den wierookhandel, dien de Mineërs dreven met de landen Egypte, Assur en Ibr Naharan. Onder „Ibr Naharan" kan men de streek langs de rivier van Gaza verstaan. En „Assur" past hier veel beter op het Arabische Assur, tusschen Egypte en het land der Filistijnen, dan op het ver verwijderde Assyrië. Ten slotte is dit Arabische Assur wellicht ook bedoeld in Psalm 83 — een lied, dat we met Delitzsch in den tijd van Josafat (pl.m. 860 v. C.) kunnen stellen, en dat dan gedicht zal zijn met het oog op de gebeurtenissen, die in 2 Kron. 20 verhaald worden. De vijanden, in dezen Psalm opgesomd, woonden allen in Israëls omgeving. In deze coalitie, waartoe Edomieten, Amalekieten en Ismaëlieten behoorden, kan licht ook het Arabische Assur mee opgetrokken zijn. Verder is ons omtrent de lotgevallen van dezen stam niets bekend. [ 23.

Assuri wordt (2 Sam. 2:9) benevens Gilead, Jisreël e. a. onder de Noordelijke deelen des lands genoemd, waar, door Abners bemoeiingen na Sauls dood, Isbozeth koning bleef.

Assyrië, Assyriërs. Het land en het volk van Assyrië heeten bij de Hebreën Assur, evenals bij de Assyriërs zelf. In het Oude Testament ontmoeten we den naam reeds in de beschrijving der paradijsrivieren (Gen. 2:14). En de volkeren-

ASSYRIË 183

tafel (het overzicht der nakomelingen van Noachs zonen) doet ons zien, dat de oorsprong van het Assyrische rijk samenhing met dien van het Babylonische (Gen. 10:8—12). Ook de geschriften der Babyloniërs en Assyriërs wijzen hierop. In den tijd omstreeks 2300 tot 1900 v. C. vinden we af en toe de blijken, dat Assyrië van Babylonië afhankelijk was. Doch reeds omstreeks 1870 v. C. regeerde er in Assyrië een koning Samsi-Adad, die ernaar streefde zijn rijk te verheffen tot den rang van groote mogendheid. Dit was evenwel slechts een kortstondig voorspel van latere machtsontplooiing. De koning Assur-uballit (kort na 1400 v. C.) kan de eigenlijke grondvester van Assyriës machtspositie genoemd worden. Het rijk Mitanni, de sterke nabuur, die Assyrië in den hoek drukte en zelfs Nineve in bezit had, zag zijn strijdmacht door Assur-uballit gebroken. Babylonië poogde nog wel zijn oude suzereiniteitsrechten over Assyrië te handhaven, maar begon feitelijk reeds onder Assyrische voogdij te staan. Ja met het verre en machtigë Egypte verkeerde Assur op voet van gelijkheid, wat hierin uitkomt dat Assuruballit in zijn brieven aan den Farao dezen als „broeder" aanspreekt. Bij de opgravingen heeft men een Assyrisch wetboek gevonden, dat volgens de vakgeleerden ongeveer uit dezen tijd stamt. Het vertoont merkwaardige punten van overeenkomst en verschil zoowel met de wetten van Hammurapi als met die van Mozes.

Omstreeks dezen zelfden tijd heeft de heidensche profeet Bileam, door den Geest van Israëls God, iets uitgesproken van Assurs toekomstige beteekenis (Num. 24 : 21—24). De kleine stam der Kenieten, die zijn rotsvesting Horeb verliet om zich bij het nog zwervende Israël aan te sluiten, heeft juist hiermede zijn nest op een rots gevestigd, en zal niet verstoord worden, of het moet eerst zoover komen, dat Assur hem gevankelijk wegvoert. De Kenieten hebben niets te vreezen, voordat Assur, in het verre NoordOosten der Semietische volkerenwereld (vgl. Gen. 10 : 22) zijn hand uitstrekt naar het verre ZuidWesten. Maar als het eenmaal zoover gekomen is, dan zullen in een nog verdere toekomst Assyriërs en Hebreën beiden onderdrukt worden door een macht van overzee, die op haar beurt ook weer ten verderve gaat.

De Heilige Schrift zwijgt nu eeuwen lang over Assyrië. Pas in de dagen van Israëls koning Menahem (circa 740 v. C.) ontmoeten we Assurs naam weer in de gewijde historie. Maar in de tusschenliggende eeuwen bewoog Assyrië zich gestadig, zij het ook met vallen en opstaan, in 3e richting naar zijn groote toekomst. TukultiNinib I was de eerste Assyriër, die heel Babylonië onderwierp en daarmede Assyrië's grenzen uitbreidde tot aan de Perzische Golf. Maar na een zevenjarige heerschappij over het vereenigde rijk viel hij door de hand van zijn eigen zoon en de trotsche bouw van het Assyrische rijk stortte ineen. Na vele lotswisselingen, waarin Babylonië meermalen de overhand had, kwam Assur opnieuw tot grootheid onder TiglathPileser I (circa 1110 v. C). Deze drong door tot de Middellandsche Zee, en trok langs de Fenicische kust tot Arvad, waar hij geschenken