is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

AUGUSTINUS

Spalatijn en Eisleben naar Augsburg. Omdat Luther nog onder den ban verkeerde, bleef deze in Koburg achter.

Omdat de aankomst des keizers in Augsburg vertraagd werd, maakte Melanchton van die gelegenheid gebruik om op grond van de Schwabachsche en Torgausche artikelen de Augsburgsche confessie op te stellen. Alle veranderingen, welke hij aanbracht, onderwierp Melanchton aan Luthers oordeel. In het algemeen kon Luther zich met die veranderingen wel vereenigen, hoewel deze beweerde, dat hij zich niet in staat achtte „urn so sanft und so leise zu treten".

Dit ontwerp van Melanchton was echter alleen in naam van Saksen vervaardigd, de andere vorsten en stenden hadden hunne eigen ontwerpen medegebracht, gelijk de keizer bevolen had. De Protestanten gevoelden echter levendig, dat het wenschelijk zou zijn, om met één ontwerp voor den rijksdag te verschijnen. Het gezag van Saksen en van de Saksische godgeleerden was oorzaak, dat de andere vorsten en stenden zich langzamerhand bij het Saksische ontwerp aansloten. Deze vorsten en stenden begeerden tchter, dat op hun verlangens gelet zou worden en daarom hadden er nog tal van beraadslagingen plaats, voor de confessie ten laatste kon vastgesteld worden. Verschillende veranderingen „,»rHpn pr nncr in den tekst gebracht, waarbij

echter de afwezige Luther telkens geraadpleegd werd.

De manier, waarop de confessie ontstaan was, veroorzaakte, dat men haar eerst het Saksische voorstel noemde. Om haar verdedigende strekking, en het doel om de waarheid voor den keizér en het gansche rijk tegen alle aanvallen en lasteringen te handhaven, noemden velen, onder wie ook Luther en Melanchton, haar apologie. Ten laatste behield de naam confessie de overhand.

Nadat de Confessie op 25 Juni op den rijksdag voorgelezen was, behield de keizer den Latijnschen tekst voor zich, maar den Duitschen overhandigde hij aan den keurvorst van Mainz voor het rijksarchief. Aan de Protestanten werd verboden de confessie door den druk openbaar te maken. Spoedig kwamen er, tijdens dat de rijksdag gehouden werd, afdrukken in het licht, die grootere of kleinere afwijkingen vertoonden. Daarom besloten de Protestanten een authentieke uitgaaf te doen plaats hebben. Melanchton vervaardigde daarom een woordelijken afdruk. De titel luidt: Confessio Fidei exhibita invictissimo Imper. Carolo V. Caesart Aug. in Commlcits Augustae Anno MDXXX. Addita est Apologia Confessionis. Beide Deutsch und Latinisch. Witenbergae. ■•.

In deze confessie handelden 21 artikelen over de leer en 7 over de godsdienstige en kerkelijke misbruiken. Eenig systeem zat er in de behandeling niet. Vooraf gaat een praefatio ad Caesarem Carolem V (voorwoord aan keizer Karei V) en aan het einde vindt men een epilogus met de onderteekening der Evangelische vorsten en stenden. [ 24.

Augustinus. I. Aurelius Augustinus werd op den 13den November 354 na Christus te Thagaste

in Numidië geboren, dus in een tijd, waarin „een wereldrijk te gronde ging en een wereldkerk opbloeide." Hij was de zoon van een heidenschen vader, den Decurio Patricius en een Christenmoeder, de bekende Monnica. Deze laatste heeft in zijn leven een groote en beslissende rol gespeeld. Monnica was nauwelijks 23 jaar oud, toen zij aan Augustinus het levenslicht schonk. Zij stierf in haar 56ste jaar, toen haar zoon kort tevoren gedoopt was. Haar leven omspande dus heel den tijd van zijn innerlijken strijd. Haar persoon is onafscheidelijk verbonden aan die van haren zoon. Origenes werd door een Christenvader ook Christelijk opgevoed. Cyprianus sproot voort uit een zeer gefortuneerde familie. Augustinus daarentegen moest als kind uit een gemengd huwelijk zelf een keuze doen tusschen de heidensche ideeën van zijn vader en de in den aanvang nog zwak Christelijke gevoelens zijner moeder. Ook was zijn vader allesbehalve rijk, zoodat hij in zekeren zin zich zelf een weg moest banen.

Zijn leven is ons vrij nauwkeurig beschreven in zijn met pijnlijke eerlijkheid te boek gestelde „Belijdenissen" of liever: „Lofprijzingen", een werk, dat reeds om den vorm uiterst merkwaardig is. In deze auto-biografie wordt van het begin tot het einde God aangesproken en met groote stoutmoedigheid door Augustinus zijn hart blootgelegd. Waarschijnlijk is zijn zondeleven eer in te sombere dan in te lichte kleuren gemaald.

In de jeugd werd Augustinus' doop te kwader ure uiteesteld. Od de school te Thagaste werd

hij ingewijd in de fraaie letteren. Maar als knaap afkeerig van de studie, leerde hij niet dan gedwongen. Terwijl hij het Latijn uit den mond van anderen snel zich eigen maakte, boeide het dorre grammaticale onderricht in het Grieksch hem niet. Hij studeerde te Madaura en te Carthago, daartoe in staat gesteld meer door den hoogmoed dan door de rijkdommen van zijn vader. Reeds in de puberteitsjaren openbaarde zich bij hem een sterke passie voor zinlijke genietingen, waarover zijn vader zich vroolijk maakte, maar welke zijn moeder met angst vervulde. Al haar vermaningen wierp hij in den wind, begaf zich (ook om van zijn vrienden geprezen te worden) in tal van liefdesavonturen en koos den weg der zonde. In deze dagen stal hij ooft, niet uit honger, maar om de zonde zelve, een daad, waarover hij in latere jaren diep berouw had en Gods vergeving vurig inriep. Op de scholen muntte hij weldra boven velen uit, waardoor zijn hoogmoed niet weinig gestreeld werd en al zijn eerzucht werd erop gezet, om een beroemd rhetor te worden.

In Carthago, een zeer onzedelijke stad, was Augustinus tegen de verzoekingen niet opgewassen en leefde hij weldra buiten echt met een vrouw, bij wie hij een zoon gewon, dien hij Adeodatus noemde (372). Dit „concubinaatshuwelijk" was echter ook in kerkelijke kringen geoorloofd.

Op 19-jarigen leeftijd leerde hij Cicero's werk „Hortensius" kennen en ontvonkte in zijn haast al te levendigen en ontvankelijken geest de liefde voor de wijsbegeerte (373). In den „Hor-