is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AVONDMAAL

203

Het avondmaal is dus niet alleen een offermaaltijd ter gedachtenis van het lijden en sterven van Christus, en daardoor het verlossingsfeest der gemeente, maar het is ook een gemeenschapsmaaltijd. Het is het feest der heilige familie, die in het eten en drinken gemeenschap hebben met elkander, en in het bijzonder met den gastheer Christus. De gastheer deelt hun zijn gave uit, ja, hij schenkt hun zich zeiven, zooals hij zich voor hen gegeven heeft in den dood. Bij het uitreiken der teekenen, sprak Jezus van het gezegende brood: „Dat is mijn lichaam", en van den drinkbeker: „dat is mijn bloed", (Matth. 26 : 26, 28), terwijl de apostel Paulus verklaart: „De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?" (1 Cor. 10 : 16.)

Wat bedoelt Jezus met de woorden: „dit is mijn lichaam" (tovró èativ xo acöfid fiov)? Met het onderwerp „dat" bedoelt Jezus ongetwijfeld het brood, dat hij in zijn hand heeft. Dit stemmen ook de Roomsche uitleggers toe. Maar wat verband bestaat er nu tusschen het brood en het lichaam van Jezus ? Is met het lichaam bedoeld het aardsch-stoffelijk lichaam van Christus, zooals hij daar staat voor de discipelen aan den avondmaalsdisch ? Dat is onmogelijk, en het kon niet in de gedachten der discipelen opkomen, dat zij het stoffelijk-vleeschelijke lichaam van ■Christus gebruikten. Ook kan Jezus niet gedacht hebben aan het verheerlijkte lichaam, want dat bestond toen nog niet. Bovendien zou deze gedachte niet passen bij het woord bloed, dat naar 1 Cor. 15 : 50 niet is een element van het verheerlijkte, maar van het aardsche lichaam. In elk geval had er dan moeten staan: „Datwordt mijn lichaam". Wijl het subject en het object twee verschillende dingen noemen, die ook daarna afzonderlijk en zelfstandig blijven voortbestaan, is de identiteit van subject en object uitgesloten, en de gedachte, dat brood zou veranderen in het lichaam, en de wijn in het bloed van Christus, is eenvoudig ongerijmd. Ook wordt bij de Roomsche en de Luthersche uitlegging niet duidelijk waarom Jezus zijn lichaam en zijn bloed afzonderlijk voor het gebruiken aanbood.

De strijd om het leerstuk van het avondmaal is voornamelijk gestreden over het verbindingswoord is (ion). Dit koppelwoord, dat in het Arameesch, in de taal van de Joden in Jezus' dagen niet gebruikt werd, verbindt twee geheel verschillende begrippen „brood" en „lichaam" met elkander en moet dus noodzakelijk aanduiden niet een werkelijk zijn, maar moet een figuurlijke spreekwijze zijn. Dit blijkt reeds daaruit, dat, naar het bericht van Lucas en Paulus, Jezus bij het geven van den drinkbeker niet zegt: „deze wijn", maar: „deze drinkbeker" is het Nieuwe Testament in mijn bloed. En dat dit figuurlijke gebruik van het koppelwoord in den mond van Jezus volstrekt niet vreemd is, blijkt uit verschillende uitdrukkingen als: „En de akker is de wereld" (Matth. 13 : 38); „het zaad is het woord Gods" (Luc. 8 : 11); „Ik ben de deur der schapen" (Joh. 10 : 7); „Ik ben de ware wijnstok" (Joh. 15 : 1; cf. 1 Cor. 10 : 4;

Gal. 4 : 24). De eenvoudige verklaring is deze.: Jezus neemt het brood, dat bij het Paaschmaal aanwezig is, toont het zijnen discipelen, en geeft hun dit, onder het uitspreken van de woorden: „Dit is mijn lichaam", als een symbool van zijn lichaam, dat Hij straks voor hen aan het kruis laat slaan. Dat brood, dat symbolisch zijn lichaam aanduidt, moeten de discipelen nemen en eten. Zooals Hij sterft is Hij het levensbrood voorde zijnen. Hij gaat, geheel overgegeven aan 's Vaders wil, ia den dood, voor de zijnen de zaligheid uitwerkend. En nu moeten de discipelen het brood eten en den wijn drinken, en daarin gemeenschap oefenen met Hem. Christus heeft zich met de zijnen in gemeenschap gesteld, doof het overnemen van onze natuur, door het hoofd te worden van het lichaam der gemeente, met welke Hij zich in een verbondsbetrekking heeft gesteld. Maar die gemeenschap is niet een uitwendige, niet een vleeschelijke vereeniging, geen pantheïstische vermenging of vereenzel ving, geen overvloeiïng van de substantie. De persoonlijkheid van Christus en die van zijne discipelen blijven gehandhaafd. Ook spreekt Jezus niet van een mededeeling van hoogere krachten of gaven, die door het eten of drinken tot stand komen. Maar Jezus heeft het oog op een geestelijke eenheid, een gemeenschap door het geloof, welke door den Heiligen Geest wordt bewerkt (Joh. 6; 1 Cor. 10:16). Christus liet zijn lichaam breken en zijn bloed vergieten, niet alleen opdat Hij daardoor de schuld zijns volks zou verzoenen en hun straf zou dragen, maar ook opdat Hij hun zichzelven zou kunnen mededeelen, en Hij in hen zou leven (Gal. 2 : 20). Christus' lichaam en bloed is de bron, waaruit Hij ons zijn leven laat toevloeien. Op deze wijze wordt verstaan dat het avondmaal niet bloot is een gedachtenismaal ter herinnering aan Christus' lijden en sterven, maar ook een gemeenschapsmaal. Christus geeft zich niet alleen voor de zijnen, maar ook aan de zijnen. Zóó zijn de drinkbeker en het brood in het avondmaal gemeenschap aan het lichaam en het bloed van Christus (1 Cor. 10 : 16).

Doch die gemeenschap wordt niet door het eten en drinken van brood en wijn bewerkt. Jezus gaf de teekenen aan zijn discipelen, die door Jezus waren bemind en uitverkoren, niet opdat zij daardoor zijn leven zouden deelachtig worden, maar gesterkt zouden worden in het geloof in hun Meester, en door zijn gemeenschap zouden worden gevoed ten eeuwigen leven. Christus verzekert in het avondmaal de zijnen van de volkomenheid van zijn middelaarswerk, en wil hen door een zichtbaar onderpand doordringen van de waarheid, dat, zoo wis zij gemeenschap hebben met Hem door het geloof, zij ook zoo zeker deel hebben aan al de weldaden van Christus, t^ithm

Het avondmaal is ingesteld als een blijvend goed voor de gemeente. Paulus zegt niet alleen dat de gemeente het avondmaal moet vieren tot gedachtenis van Christus' dood (1 Cor. 11 : 24), maar hij voegt er ook aan toe: „Zoo dikwijls als gij het brood zult eten, en dezen drinkbeker zult dirinkèn, zoo verkondigt den dood des Heeren totdat Hij komt" (1 Cor. 11:26). Eerst met zijne