is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BABISTEN — BACH

221

vooral bij Habakuk uit. Het gaat daar niet tegen Babel als zoodanig, maar tegen het Chaldeeuwsche rijk als belichaming van het beginsel der goddeloosheid. Nog duidelijker treedt dit aan den dag in het Nieuwe Testament. Al bestond er ook nog een stad Babel, ze was toch aan het wegkwijnen, en van een Babylonisch rijk was geen sprake meer. En toch spreekt Johannes van het groote Babyion als van den zetel der toekomstige anti-christelijke wereldmacht (Openb. 14, 16, 17, 18). Hier is Babel geheel en al type. De stad, waar zich reeds in de vroegste geschiedenis der menschheid na den vloed het verzet tegen den levenden Qod heeft geconcentreerd (Gen. 11), leent haar naam aan de i anti-christelijke wereldmacht van den laatsten tijd. De stad, die zich zoo gaarne „Godspoort" noemde, was niet de poort des Heeren, door welke de rechtvaardigen binnengaan (Ps. 118:20). Het heilige Babel was onheilig in het oog van den Heilige Israëls. Met de wijsheid, die van Babel uitging, met haar leer van Qod en mensch, schepping en zonde, heeft Israëls God in zijn bijzondere openbaring den strijd aangebonden. Want het was een wijsheid, die de volken immermeer verleid heeft het schepsel te eeren en te dienen boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid (Rom. 1 : 25). [ 23.

Babisten. Dit is de naam van een Mohammedaansche secte in Perzië. De stichter was Mohammed Ali uit Sekiras (1843). Deze noemde zichzelven Bab d.i. poort (der kennis). De secte is pantheïstisch, de wereld is een uitvloeisel van God, het kwade is slechts negatie. De moraal der secte stond hooger dan die van de Mohammedanen. Zij heeft in haar leer een eigenaardige getallenmystiek opgenomen. Onder de apostelen der secte bevond zich ook een edele vrouw. Toen de secte door de regeering vervolgd werd, boden haar aanhangers tegenstand, maar de secte werd onderdrukt. Bab werd in 1850 in Tebris terechtgesteld. Overblijfselen van de secte vindt men nog in en buiten Perzië. [ 24.

Babyion komt in het Nieuwe Testament voor in Hand. 7 : 43 in een aanhaling uit het Oude Testament (Amos 5 : 26, 27). Verder in overdrachtelijken zin in Openb. 14 : 8, 16 : 19, 17 : 5, 18 : 2, 10, 21. Daar is het een bedekte aanduiding voor Rome, den zetel der Romeinsche keizers, of voor de Romeinsche wereldmacht, die op het eind der eerste eeuw zich tegen de gemeente van Christus begon te keeren. Gelijk in het Oude Testament Babel of Babyion de anti-goddelijke kracht is, die het volk des Heeren en het Koninkrijk Gods bestrijdt, werd dat onder de regeering van Nero (54—68) en van Domitianus (81—96) Rome. Vandaar deze benaming in de Openbaring van Johannes.

Ook in 1 Petr. 5:13 beteekent Babyion waarschijnlijk Rome, en „de mede-uitverkorene" de gemeente aldaar. Dan schreef dus Petrus den ;brief uit Rome. [ 27.

Baccalaureus, (Middeleeuwsch Baccalarius, Fransch Bachelier, Engelsch Bachelor) beteekent oorspronkelijk een jongen onzelfstandigen ridder, aan een baron en bannerheeren onderworpen. Baccalarii ecclesiae noemde men nu die geestelijken, die een minder voorname plaats

innamen. Gregorius IX bezigde voor het eerst den titel Baccalarius als een academischen titel. Die dezen titel bezaten mochten, na tevoren onderzocht te zijn, voorlezingen houden over den Bijbel. Later ging die titel ook op andere faculteiten over en toen kwam in zwang de valsche afleiding van bacca en lauria, d. w. z. iemand, die een bloemenkrans draagt. Bij het academisch onderwijs volgde op den titel baccalaureus het licentiaat en daarna de doctorstitel. In Frankrijk en Engeland bestaat de titel nog, in Duitschland niet meer. [ 24.

Bacchïdes. Een van de veldheeren van den Syrischen koning Demetrius I. Omdat Demetrius de partij de Hasmoneeërs in Judea onderdrukken wilde, zond hij in 161 v. C, kort nadat hij aan de regeering gekomen was, Bacchides met een groot leger naar Judea, om den Grieksch gezinden Alcimos tot hoogepriester uit te roepen. Zonder veel moeite kweet Bacchides zich van deze taak en keerde naar Syrië terug (1 Macc. 7:1). Nadat in het volgende jaar de Syrische bevelhebber Nicanor in den strijd tegen Judas den Maccabeeër gevallen was, zond Demetrius Bacchides andermaal met een groot leger naar Judea. Judas werd overwonnen en hij sneuvelde in den strijd. Judas' broeder Jonathan moest voor Bacchides over de Jordaan vluchten. Toen keerde Bacchides weer terug naar Antiochië (1 Macc. 9). Voor de derde maal kwam Bacchides naar Judea in 157 v. C. Hij behaalde nu echter tegenover Jonathan, wiens partij zeer versterkt was, geen voordeelen. Wel had er een vergelijk plaats, en Bacchides keerde weder naar Syrië (1 Macc. 9:58). [ 24.

Bacchus. Van dezen god der Grieken en Romeinen wordt gesproken in 2 Macc. 6 : 7, 14 : 23. In het Grieksch heet hij Dyonisos. Hij werd bij Grieken en Romeinen geëerd als de god van den wijn. De Bacchus- of Dyonisiusfeesten, hem ter eere ingesteld, kenmerkten zich door uitgelatenheid en vleescheslust. Daarom waren deze feesten den vromen Israëlieten een gruwel. Antiochus Epifanes, die de Joden wilde dwingen aan de „Bacchanalia" deel te nemen ondervond ontzaglijken tegenstand. [ 24.

Bacb (Johann Sebastian) werd 21 Maart 1685 te Eisenach geboren, uit een zeer muzikale Thüringsche familie. Reeds vroeg beoefende hij de muziek en bleek groote gaven te bezitten. Na een moeilijken leertijd verkreeg hij in 1703 een zelfstandige positie als organist der nieuwe kerk te Arnstadt, welke hij in 1707 verwisselde met die te Mühlhausen, omdat men hem te Arnstadt belette de vleugels vrij uit te slaan. In 1708 werd hij kamermusicus en hoforganist van Hertog Ernst te Weimar, waar zijn talent eerst recht tot ontwikkeling kwam en hij veel componeerde. In 1717 vertrok hij naar Cotten als hofmusicus van Prins Ernst August. Aangezien hem hier echter geen goed kerkorgel ter beschikking stond, zocht hij in 1723 de betrekking van Cantor aan de Thomasschool te Leipzig. Men benoemde hem „omdat men den besten niet kon krijgen en daarom met een middelmatig man genoegen moest nemen." Daar heeft hij echter, ook als organist der Thomaskerk, bewezen boven elke maat uit te gaan, en ten volle zijn krachten ontplooid, tot hij 28 Juli 1750 tot