is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

268

BEKENNEN

betering, doch dat is uit angst voor de gevolgen van het kwaad, maar hij mist het religieus element: berouw, omdat hij tegen zijn God gezondigd heeft, en liefde tot het goede omdat daarin Gods Wet vervuld wordt. Het onderscheid tusschen de zedelijke bekeering tot de deugd van den natuurlijken mensch en de waarachtige bekeering van Gods kind wordt zeer duidelijk aangegeven in 2 Cor. 7 : 10: „de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt den dood". Deze droefheid naar God, is het berouw dat van God komt en Hem aangenaam is, en deze droefheid der wereld is het berouw dat bij den natuurlijken mensch gevonden wordt, zelfs bij Kaïn, Ezau, Judas. Tot waarachtige bekeering kan alleen de geloovige komen, daarom gaat het zaligmakend geloof aan de waarachtige bekeering vooraf. Ook hier geldt: zonder geloof onmogelijk Gode te behagen.

De bekeering moet wel van de wedergeboorte en van de heiligmaking onderscheiden worden. Velen vereenzelvigen de wedergeboorte en de bekeering, omdat het woord wedergeboorte in meer beperkten en in meer ruimeren zin genomen wordt, in Matth. 19 : 25 zelfs in een zeer ruimen zin n.1. van het komen van het rijk der heerlijkheid. Maar de wedergeboorte, in engeren zin genomen, gaat aan de bekeering vooraf, kan als de wortel er van worden aangemerkt, en leidt tot de bekeering, die als vrucht der wedergeboorte beschouwd kan worden. God komt met zijn eisch: „bekeert u" tot alle menschen, maar alleen zij die wedergeboren zijn kunnen zich bekeeren (Joh. 3 : 3, 5). In de wedergeboorte is de mensch volstrekt lijdelijk, hij wordt wedergeboren door den Heiligen Geest, maar in de bekeering is de mensch tot werkzaamheid geroepen, want hij heeft zich te bekeeren, den ouden mensch te kruisigen en den nieuwen mensch aan te doen. En ook moet de bekeering van de heiligmaking onderscheiden worden, want de heiligmaking is de naam öf voor al het genadewerk des Heiligen Geestes in de uitverkorenen (Zondag VIII, Heidelbergsche Catechismus) waaronder ook de bekeering begrepen is, öf voor het heilige leven waartoe de bekeerde krachtens den eisch om vruchten der bekeering waardig voort te brengen, geroepen is, en dus voor wat op de bekeering volgt. Is de wedergeboorte, in engeren zin, de instorting van het nieuwe levensbeginsel in de uitverkorenen, en heeft deze plaats buiten het bewustzijn en zonder den wil van hen, de bekeering daarentegen gaat welbewust en willens toe, want zij is het volbrengen van den eisch: „bekeert u", het kruisigen van den ouden mensch, het aandoen van den nieuwen mensch.

Omdat de bekeering vrucht is van de wedergeboorte in engeren zin en onderdeel van de heiligmaking in ruimeren zin, waarin het eigen werk Gods aanbeden wordt en toch het „zich bekeeren", waarin de geloovige tot werkzaamheid geroepen wordt, een eigen gedachte vertegenwoordigt, moet onderscheid gemaakt worden tusschen het werk Gods en het werk van den geloovige in de bekeering. Eenerzijds wordt in heel de Heilige Schrift de mensch opgeroepen zich te bekeeren, voortdurend komt tot hem de

eisch: bekeert u I en telkens wordt ook gezegd dat hij zich bekeerd heeft, maar anderzijds lezen we toch dat het God de Heere is die hem tot bekeering brengt en hem de bekeering geeft (Jerem. 13:18; Hand. 5:31; Rom. 2:4; 2Tim. 2 : 25). Maar dit wordt zoo verstaan dat, waar de mensch in de wedergeboorte geheel lijdelijk is, in de wedergeboorte God de Heere, die zeer zeker de bekeering geeft en tot bekeering brengt, inwerkt op het bewustzijn en op den wil van den geloovige zóó dat God als eerste oorzaak hem bekeert, maar hij als tweede oorzaak zich bekeert. Niet te letten op de eerste oorzaak is de fout van het Pelagianisme dat in bekeering alleen het eigen werk van den mensch ziet; weg te cijferen de tweede oorzaak is de fout van het mystiek Pantheïsme, dat den mensch van zijn zelfstandigheid en verantwoordelijkheid berooft. In de Dordtsche Leerregels III/IV, § 12 wordt dit zeer treffend en juist aldus uitgedrukt: „wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van Qod gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mensch, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert."

Is de bekeering in den gewonen zin van het woord het eerste uitkomen van het zaad der wedergeboorte bij de geloovigen, het voor het eerst oprecht berouw hebben over de zonde en die welbewust haten en vlieden, en voor het eerst de bewuste liefde gevoelen tot God en het volbrengen van zijn heiligen wil, daar is ook nog sprake van bekeering in tweeërlei ander opzicht. Vooreerst is er de vernieuwde bekeering, en dan is er de dagelijksche bekeering. De „vernieuwde bekeering" is er, als een kind van God, na tot geloof en bekeering gekomen te zijn, tijdelijk afdwaalt van de waarheid of valt in een ergerlijke zonde, en dan door Gods genade bij vernieuwing tot bekeering komt, zooals he't geval was bij David en Petrus (Luc. 22 : 31, 32). En de „dagelijksche bekeering" blijft de voortdurende eisch der heiligmaking voor allen die eens tot bekeering gekomen zijn, eerstens omdat wij dagelijks struikelen in velen (Jacob. 3:2) en voorts omdat het kruisigen van den ouden mensch en het aandoen van den nieuwen mensch en het toenemen in heiligmaking de roeping van alle geloovigen is zoolang zij in dit tijdelijk leven zijn.

De bekeering is Gods werk door den Heiligen Geest, en daarom heeft God zichzelven voorbehouden den tijd wanneer, de wijze waarop, de omstandigheden waaronder, het middel waardoor Hij tot bekeering wil brengen. Het voegt ons hierbij niet één weg te denken en dien allen voor te houden, want bij God is een veelvuldige wijsheid, en Hij trekt Maria anders dan Martha; Samuël en Timotheus van jongsaf en den moordenaar aan het kruis eerst in de stervensure; Johannes met zachte hand en Paulus op krachtige wijze. [16.

Bekennen. Dit woord heeft in de Heilige Schrift onderscheiden beteekenissen, die echter alle samenhangen met de grondgedachte van „kennen". Het drukt uit dat de kennis die men bezit vast en zeker is, hetzij door innerlijke over-