is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELIJDENISSCHRIFT

275

tempel. Buiten Christus heeft de gemeente geen leven; is er geen zaligheid. En daarom heeft ook de prediking altoos weer heen te leiden naar Christus.

De inhoud der prediking, en dus ook de inhoud der belijdenis, is die van God Drieëenig. Toen Christus ten hemel voer heeft hij aan zijn discipelen het zendingsbevel gegeven: „Gaat dan heen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb" (Matth. 28:19). In dit zendingsbevel ligt de hoofdinhoud van geheel de leer en den dienst van God, en tevens van de belijdenis der gemeente.

De gemeente belijdt wat God haar geeft te belijden. Zij spreekt uit wat God haar objectief in zijn Woord openbaart, en hetgeen subjectief door de genade des Heiligen Geestes haar geloofseigendom geworden is. Het behoort mede tot de taak der gemeente op aarde om de waarheid, die door de Godsopenbaring haar ter kennis gekomen is, in te denken, te verstaan, te systematiseeren en uit te spreken (Ef. 3 : 9, 18; 2 Tim. 1 : 10—14). Zij moet in eigen kring de waarheid Gods belijden en onderwijzen tot onderrichting van onkundigen, van jeugdigen en dwalenden, en is tevens geroepen zich tegenover tegensprekers en dwalenden te wapenen. Zoo werd de kerk als vanzelf verplicht hare belijdenis als onderscheidingsteeken der waarheid van de leugen te openbaren en als een banier en veldteeken te ontplooien.

De wording van de kerkelijke symbolen toont dat ondubbelzinnig aan. De eenvoudige doopsformule ontwikkelde zich in de zoogenoemde Apostolische geloofsbelijdenis tot doopsbelijdenis, en dit apostolisch symbool breidde zich uit tot het Nicaenum, en het Quicunque, welke den naam draagt van Athanasius. Tot aan de Reformatie der 16de eeuw vond de kerk geen aanleiding om nieuwe symbolen op te stellen. Wel sprak de kerk op fiare conciliën zich uit over allerlei zaken, die het natuurlijke en het kerkelijke leven raken en trachtte zij heel het leven te regelen, maar zij sprak zich zelve niet uit in nieuwe belijdenissen. De geestelijkheid dacht en handelde voor haar en stelde heel het leven onder haar tucht en gezag. Doch toen de kerk in de 16e eeuw, tegenover de dwalingen en het bederf der kerk, terugging tot het Woord Gods, zag zij zich gedwongen haar geloof uit te spreken. Zoo ontstonden nieuwe geloofsbelijdenissen, welke aanknoopten bij de symbolen der oude kerk, die openlijk vertolkten de waarheid, die, als noodig ter zaligheid, den mannen der Reformatie onder leiding des Heiligen Geestes levend voor hun bewustzijn stond.

De wijze waarop in den loop der eeuwen een belijdenis is ontstaan is zeer verschillend geweest. Nu eens was zij eerst de uitdrukking van het persoonlijke geloof van een theoloog, en is zij later door de kerk aanvaard; dan weer was zij eerst de belijdenis van een groep personen of van een plaatselijke kerk, en is zij later in breederen kring van kracht geworden; terwijl het ook wel is voorgekomen dat de kerk in synode saamgekomen om geschillen te beslech¬

ten zelve eene belijdenis samenstelde. Eerst door de aanvaarding eener belijdenis door de kerk wordt zij een kerkelijk symbool.

Elk belijdenisschrift draagt het stempel van den tijd waarin, en van de historische verhoudingen temidden waarvan het is ontstaan. Natuurlijk is de belijdenis van de kerken der Reformatie veel rijker, veel meer omvattend en diep dan die van de oude kerk. Maar nog niet alle waarheid Gods is daarin uitgestald. Dat kan ook niet omdat de volle waarheid Gods in al hare deelen nog niet tot de bewustheid der gemeente is doorgedrongen. Maar zooveel wordt aan de gemeente duidelijk als zij voor haar levensopenbaring, voor den strijd des levens en voor hare zaligheid in een bepaalden tijd noodig heeft.

De geloofsbelijdenis mag en moet niet zijn een belijdenis voor de theologen alleen, maar van de geheele gemeente. Zij behoort dan ook niet te zijn een wetenschappelijk geschrift, waarin de waarheden des heils op systematische en geleerde wijze worden uiteengezet. Wel moet zij zijn vrucht van studie en nadenken, maar de vorm en de wijze van uitdrukking behoort van dien aard te zijn, dat zij is niet een wetenschappelijke uiteenzetting der leer, maar een belijdenis van het geloof der kerk, zooals zij het objectief vond in Gods Woord en subjectief heeft beleefd. Zoo begint ook de Nederlandsche geloofsbelijdenis met deze kenmerkende woorden: „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond".

Een belijdenisgeschrift moet voorts niet zeer breed zijn. Het moet niet alle stukken omvatten, waarover de geleerden wel eens hebben gehandeld, en waarover de Heilige Schrift zich niet zoo duidelijk uitspreekt, zoodat daarover verschil van gevoelen moet worden toegelaten. Wanneer een belijdenis over verschillende gevoelens een uitspraak zou willen doen, dan zou zij het leven en de vrijheid dooden, en het vrije wetenschappelijk onderzoek tegengaan. Daarom spreekt de kerk in hare belijdenis zich uit over wat voor de kennis en den dienst Gods noodig is te weten, wat voor den weg der zaligheid gekend moet worden. En zij leidt den mensch altijd terug naar hetgeen God in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Noodzakelijkheid. Het bestaan der kerk heeft dus een belijdend karakter. Zij is woonstede des Geestes, draagster van het leven van Christus. Haar taak is om voor Christus te getuigen, om mede te werken tot de komst van Gods koninkrijk, om zijn strijd mede te strijden en eenmaal met Christus over al zijne vijanden te overwinnen. En zoodra de kerk uitspreekt wat Christus haar geeft te verkondigen, ontstaat als vanzelf het dogma.

Men heeft wel eens gezegd dat de oorzaak waarom het Christendom niet de plaats inneemt, die haar toekomt, is, dat het zijn geloof heeft laten verstijven in het dogma. Hierin ligt een zekere waarheid, omdat er kerken zijn, die wel een schoone belijdenis bezitten, maar die haar niet verstaan en beleven. Als het dogma niet is de uitdrukking van het levende geloof, als de gemeente niet leeft uit hare belijdenis, als er geen levende aanraking met Christus is, dan