is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZETENHEID

301

Zij zegt, dat een onreine geest uitgaat uit een bezetene (Mare. 1 : 25; Matth. 8 : 32 e. a.) en deelt ons mede, dat onze Heiland zelfs bij het gebod om uittegaan, wel voegde het verbod: en kom niet meer in hem (Mare. 9 : 25). Er is in haar sprake van het uitwerpen van booze geesten (Matth. 8 : 16 e. a.), van het ingaan van dezen in zwijnen (Mare. 5 : 13) en van hun doorgaan door waterlooze plaatsen, en wederkeeren in het huis, waar zij uitgegaan waren (Luc. 11 : 24).

De geesten, van welke hier gesproken, en van welke verlossing geschonken wordt, zijn volgens de Heilige Schrift geen onpersoonlijke gesteldheden, noch als personen voorgestelde verderfenissen, maar persoonlijke wezens, die kennis hebben, welke boven die van menschen uitgaan (Mare. 1 : 24). Zij openbaren beduchtheid of vrees (Luc. 8 : 31), spreken en smeeken (Luc.

8 : 32), overleggen (Luc. 11 : 24). Bezetenheid is dus niet maar het verkeeren

van een geesteskranke onder de overheerschende macht van een waandenkbeeld, een louter subjectieve verstoring in de voorstellingswereld van een zielszieke, een psychose. Evenmin is zij hetzelfde als lichamelijke krankheid, hoewel met haar lichamelijke krankheid gepaard kan gaan, zooals blindheid en doofheid (Matth. 12:22) en stomheid (Luc. 11:14) en verschijnselen van vallende ziekte (Mare. 9 : 18) en maanziekte (Matth. 17 : 15). Dergelijke lichamelijke ongesteldheden kunnen ook geheel afwezig zijn (Hand. 19 : 15, 16). Ook is zij niet gelijk aan krankzinnigheid en waanzin, ofschoon deze geesteskrankheid met haar verzeld kan gaan (Mare. 5 : 2 v.v.), maar vaak ook in het geheel niet vermeld wordt, of zelfs verondersteld wordt, niet aanwezig te zijn (Mare. 1 : 23).

Maar bezetenheid is volgens de Heilige Schrift het geheel, naar lichaam en ziel, overheerscht worden van een ellendige door één (Luc. 4:33 v.v.), of meer (Luc. 8:2; 11:26), of zelfs een gansche menigte (Mare. 5 : 9) duivelen, die aan een lijder geweldige lichaamskracht kunnen geven (Hand. 19 : 16; Mare. 5 : 3, 4), hem zijn heerschappij over eigen doen en laten geheel kunnen ontnemen (Mare. 9 : 18; Matth. 17 : 15; Luc.

9 : 39), allerlei krankheid kunnen bewerken, als doofheid en blindheid (Matth. 12 : 22) en stomheid (Luc. 11 : 14), zijn voorsteltings- endenkwereld geheel in verwarring kunnen brengen (Luc. 4 : 34), in die mate zelfs, dat zijn zelfbesef geheel teruggedrongen en overheerscht wordt, zoodat hjj zich vereenzelvigt met den duivel, die hem overheerscht (Mare. 5 : 7, 9).

Zoodanig is de voorstelling niet maar van menschen (Mare. 1 : 27; Matth. 15 : 22; Mare. 9 : 17), noch slechts van evangelisten en discipelen (Matth. 4 : 24; 8 : 16, 32; 12 : 22; Luc. 10:17), doch blijkbaar ook van den Heere Christus zeiven (Mare. 5:8; 7 : 29; 9 : 25), Die ook aan zijn discipelen den last en de macht gaf tot uitwerping van duivelen (Matth. 10:8;Mare. 6:7, 13; Luc. 10 : 17), en erkende, dat ook anderen duivelen uitwerpen konden (Matth. 12 : 27), maar van zich handhaafde, dat Hij door den Geest Gods de duivelen uitwierp (Matth. 12 : 28) en in dat feit een kenmerk en bewijs

aanwees van het gekomen zijn van het koninkrijk Gods (Matth. 12:28; vgl. ook Mare. 16:17 en Luc. 10 : 19). Hij spreekt den onreinen geest als een persoonlijk wezen aan (Mare. 9 : 25), hoort hun verzoek aan en willigt het in (Luc. 8 : 31, 32) en zegt, wanneer de zeventigen tot Hem wederkeeren, en met blijdschap mededeelen, dat ook de duivelen hun in zijn naam onderworpen zijn: Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen (Luc. 10 : 17, 18). Er kan daarom geen twijfel hierover bestaan, of de Heere Christus heeft ook zelf de bezetenheid beschouwd en behandeld, en willen aangezien hebben als een gebondenheid en een overheerscht worden van een slachtoffer door één of meer persoonlijke wezens, die geesten der duivelen zijn en dienaren van den vorst der duisternis, den satan.

Bij bezetenheid lezen we nimmer, dat de Heere sprak van het schenken van vergeving van zonden, zooals wel soms bij genezing van lichamelijke krankheid (Matth. 9 : 2, vgl. Joh. 5 : 14), noch van een bevel om te offeren, gelijk bij reiniging van melaatschheid (Matth. 8:4; Luc. 17 : 14). Bezetenheid mag daarom niet gehouden worden voor straf op, en gevolg van, voorafgaande, bepaalde, persoonlijke zonde, en zij bracht geen bijzondere onreinheid mede. De bezetene was een ongelukkige lijder, die tegen zijn wil zich geheel gebonden en overheerscht voelde, en bevrijding van bezetenheid ervoer als een groote, heerlijke verlossing, die hem in hartelijke dankbaarheid en liefde'geheel aan zijn bevrijder, althans aan den Heere Christus, verbond (Luc. 8:2; Mare. 5:18—20). Dit is geen wonder, wanneer wij er op letten, hoe de duivelen hun slachtoffer somtijds mishandelden, en vooral ook dan, wanneer zij dat zouden moeten verlaten (Mare. 1 : 26; 7 : 30; 9 : 26).

In het Oude Testament lezen wij niet van gevallen van bezetenheid. Het geval van Saul (1 Sam. 16 : 14 v.v.), heeft er eenige overeenkomst mee; en dat van de Baaisprofeten (1 Kon. 22 : 22 v.v.) ligt in de lijn. Het Evangelie naar Johannes deelt geen duiveluitwerping mede; (vgl. echter Joh. 8:48, 49). Maar het persoonlijke bestaan van den vorst der duisternis, en zijn wereldbeheerschende macht, en zijn groote invloed op de menschen, worden in dat Evangelieverhaal niet minder duidelijk en sterk geleerd (Joh. 12 : 31; 14 : 30; 16 : 11; 8 : 44; 6 : 70; 13 : 2, 27). In de Handelingen der Apostelen worden twee gevallen van bezetenheid verhaald. Hand. 16 : 16 v.v. dat van de dienstmaagd te Filippi, die Paulus en Silas volgde en nariep, en door den apostel verlost werd(vs. 18); en Hand. 19 : 13 v.v. dat van hem, dien de zonen van Sceva zochten te genezen, door het bezweren in den naam van „Jezus, dien Paulus predikt" (vs. 13). De Apologeten en Kerkvaders, Justinus Martyr, Irenaeus, Tertullianus, Origenes, schrijven, dat in hun dagen nog wel bezetenheid, en genezing daarvan, voorkwam.

Wij zullen ons de bezetenheid denken moeten als een verschijnsel, dat inzonderheid tijdens onzes Heilands vertoef op aarde, en in de eerste eeuwen onzer jaartelling, zich vertoonde. De apostel Johannes schrijft, dat de Zone Gods ge-