is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

310

BIJBEL

heidskarakter zijner uitspraken èn van de betrouwbare teboekstelling van profetische uitspraken uitgaat (vgl. 30 : 8). Het boek, waarin de betrokken profetie zal worden opgenomen, noemt hij „het boek des Heeren", welke uitdrukking wijst op eene reeds in zijne dagen bestaande verzameling van profetische uitspraken en op het goddelijk en dus gezaghebbend karakter, waarmede dit boek is bekleed. En dat dit specifieke karakter van deze geschriften in breeden kring werd erkend, bewijst allereerst het feit, dat de profeten er herhaaldelijk blijk van geven de schriftelijke nalatenschap hunner voorgangers als woord des Heeren te eeren. Zij doen er aanhalingen uit (vgl. Jes. 2:2—4 en Micha 4:1—3; jer. 49 : 7—22 en Ob. 1—9; Jes. 15.: 1—16:12 en Jes. 16 : 13), bestudeeren ze (vgl. Dan. 9:2) en wijzen hun hoorders en lezers op de waarachtigheid van vroegere uitspraken (vgl. Zach. 7 : 7). Dit laatste verschijnsel nu laat zich alleen verstaan, indien deze geschriften niet alleen in breeden kring gelezen, maar ook in hun gezaghebbend karakter erkend werden. Voorts wijst hierop ook het feit, dat, terwijl de uitspraken van hunne tegenstanders in den stroom des tijds zijn ondergegaan, de woorden van hen, die door den Geest Gods spraken, ondanks alle vervolging bewaard zijn gebleven.

Dat deze als .goddelijk en gezaghebbend erkende geschriften in den tempel zouden zijn bewaard, gelijk herhaaldelijk is beweerd, blijkt uit niets. Wel hooren we (Ex. 40 : 20) van het leggen van „de getuigenis" d. i. „de twee tafelen der getuigenis" (Ex. 31 : 18; 32 : 15; 34 : 29) in de ark; voorts Deut. 31 : 26 van het leggen van „dit wetboek" d.i. Deut. 5—26 naast de ark; en eindelijk 1 Sam. 10 : 25 van het leggen van „het recht des koninkrijks" d. i. een nadere omschrijving van het theocratische koningschap „voor het aangezicht des Heeren" d. w. z. op de door de aanwezigheid van altaar en priesterschap als zoodanig gewaarmerkte plaats. Dat intusschen juist deze stukken in het heiligdom werden gedeponeerd, laat zich gereedelijk verstaan. De grondwet des verbonds (10 geboden) moest getuigen van den door Israël bij den Sinaï als levensrichtsnoer erkenden goddelijken wil; de volkswet des verbonds (Deut.) moest in geval van ontrouw tegen Israël getuigen; de koningswet des verbonds (1 Sam. 10) moest het koningschap binnen de theocratische perken houden. Deze stukken hadden dus alle een bijzondere taak te vervullen en maakten uit dien hoofde aanspraak op een bijzondere plaats.

Van een goddelijk bevel tot teboekstelling van deze geschriften blijkt niets. Slechts hooren we, voorzoover het de historische geschriften aangaat, met betrekking tot de geboortegeschiedenis des volks in Egypte en in de woestijn van een opdracht om de gebeurtenissen dier dagen aan de later komende geslachten te vertellen (Ex. 10 : 2; Deut. 4 : 9), wat uiteraard de teboekstelling in de hand moet hebben gewerkt. Voor het overige moesten Israëls historische zin en de begeerte om de leidingen Gods ook in het verleden des volks te verstaan, dringen tot een geleidelijk verzamelen van hetgeen dienaangaande in zijn midden werd verhaald. Daardoor ont¬

stonden verzamelwerken als „het boek des oprechten", „het boek der oorlogen des Heeren", „het boek der geschiedenissen van Salomo", „het boek der kronieken van Israëls (of Juda's) koningen" en vele andere, wier namen sufs niet tot ons gekomen zijn en waarin grootere of kleinere perioden van Israëls geschiedenis werden behandeld. Deze werden op hun beurt weer door andere geschiedschrijvers gebruikt, die we blijkens de profetisch-pragmatische wijze van bewerken der overgeleverde stof hoofdzakelijk in de sinds Samuël krachtig opbloeiende profetenkringen zullen hebben te zoeken, en langs dezen weg ontstonden onder leiding des Geestes naast den Pentateuch, waarin behalve de wetten ook de voorgeschiedenis en de gebeurtenissen van den Mozaïschen tijd in enkele hoofdlijnen waren opgenomen, geschriften als die van Jozua-Koningen, welke een beeld hadden te geven van de wijze waarop Israël zich tegenover het verbond had gedragen, een commentaar in feiten als het ware op de bondssluiting. Naast deze ontstond in den loop der 4de eeuw v. Chr. een ander geschrift, dat in drie deelen gesplitst in den canon een plaats heeft gevonden en nu als Kronieken-Ezra-Nehemia bekend staat. Hierin werd op grond van een elftal geschriften in breede lijnen een geschiedenis geteekend der theocratie sedert David, waarin Davids enjeruzalems verkiezing gezien wordt als het doel van Israëls geschiedenis, ja van die der menschheid, tengevolge van welken opzet Sauls koningschap met stilzwijgen wordt voorbijgegaan, Davids koningschap eerst aanvangt met zijn optreden in Jeruzalem, Noord-Israël geheel buiten beschouwing blijft en op het herstel der theocratie onder Ezra-Nehemia groote nadruk wordt gelegd. En eindelijk ontstond het boek Esther, waarin in den vorm eener familiegeschiedenis getoond werd hoe Israëls Verbondsgod ook hen niet vergeet, die in het land der ballingschap hun tweede vaderland hebben gevonden.

Ook met betrekking tot de profetische geschriften moet worden geconstateerd, dat ze hun ontstaan te danken hebben niet aan de profeten zeiven, wier naam ze dragen, maar aan z.g. redactoren, die de schriftelijke nalatenschap van deze godsmannen rangschikten en ordenden, daarin soms uit geschiedkundige geschriften stukken opnamen, die hun voor de teekening van den arbeid der profeten belangrijk voorkwamen (Jes. 36—39; Jer. 52) of ook gebruik maakten van geschriften van tijdgenooten, indien dezen in het leven van den godsgezant een gewichtige plaats hadden ingenomen (het geschrift van Baruch over Jeremia).

Van geheel anderen aard is weer de wordingsgeschiedenis van verzamelwerken als dat der Psalmen en der Spreuken. Hier treedt het persoonlijk aandeel van den redactor geheel op den achtergrond. Hii stelt zich tevreden met ver¬

zamelen, waarbij hij gebruik maakt van in zijne dagen bestaande bundels, die hij öf opneemt in den vorm, waarin hij ze vond (Spreuken), öf naar eigen inzicht ordende (Psalmen).

2. In overeenstemming met den historischen gang, dien de wordende canon heeft doorloopen, staan de Oud-Testamentische geschriften bij het H