is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

316

BIJBELHEILIGEN — BIJBELS VOOR LEEKEN

In 1848 verscheen het Nieuwe, en in 1854 het Oude Testament in Javaansche vertaling, beide bezorgd door Gericke. Een overzetting van den Bijbel in het Dajaksch, bewerkt door zendeling Hardeland, zag in 1854 het licht, en in 1890 een in het Soendaneesch, bewerkt door zendeling Coolsma. Eenige jaren geleden is het Nieuwe Testament in het Madoereesch gedrukt, gedeeltelijk door zendeling Dr J. P. Esser, gedeeltelijk door zendeling Van der Spiegel bewerkt. De Bijbel in de taal van het eiland Nias, uitgegeven 1913, is te danken aan zendeling Sundermann. Van afzonderlijke boeken des Nieuwe Testaments verscheen een overzetting in de talen van de Sangi en Talaud-eilanden, in het Alfoersch, het Rottineesch, het Mentaweisch, en het Masaretisch. Bijbelsche leerboeken werden uitgegeven in het Tobeloreesch, het Galelareesch, het Baré'e, het Tontemboaansch, het Windessisch, het Soembaneesch en het Taboereesch. Wat West-Indië aangaat, kwam door medewerking van het Genootschap, een vertaling gereed van het Nieuwe Testament in het Neger-Engelsch, en van het Mattheüs-Evangelie in bet Papiamento, de taal der bewoners van Curacao en Aruba. Het Genootschap gaat steeds voort met het aannemen van alumni, die opgeleid worden tot doctoren in de taal- en letterkunde van den Oost-Indische Archipel, om op die wijze te voorzien in de groote behoefte aan taalgeleerden op het zendingsgebied. Reeds werden naar Celebes Dr N. Adriani en Dr H. v. d. Veen, en naar Java Dr H. Kraemer uitgezonden. Ook nam het het initiatief tot de instelling van het Zendingsconsulaat, door de in onze Oost arbeidende kerken en zendingsvereenigingen uit te noodigen, één man aan te stellen, die bij het Goevernement de belangen der protestantsche zending kon behartigen, en die derhalve door de zending van alles op de hoogte moest worden gehouden, om in alle voorkomende gevallen de Regeering te kunnen inlichten. Van 1906—1918 heeft de eerste zendingsconsul, Dr C. W. Th. Baron van Boetselaer van Dubbeldam, met rijke vrucht zijn arbeid verricht. Bij zijn aftreden traden, omdat de werkzaamheden te veel geworden waren voor één man, twee zendingsconsuls op, de heer D. Crommelin en Mr J. M. J. Schepper, van welke de laatste thans vervangen werd door Ds N. A. C. Slotemaker de Bruine. —

Het lidmaatschap van het Genootschap bedraagt f 5.—. Voor alles wat het Genootschap betreft, wende men zich tot het Bijbelhuis, Amsterdam, Heerengracht 366. [ 20.

Bijbelheiligen, noemt men de kinderen Gods, die in den Bijbel voorkomen, wier leven ons daar meer of minder uitvoerig wordt beschreven. Het gaat niet aan de Bijbelheiligen in elk opzicht als voorbeelden te stellen of te nemen. Reeds daarom niet, omdat de Schrift ons niet naar menschen, maar naar God en naar Christus leidt. De daden en woorden der Bijbelheiligen zijn volstrekt niet altoos goed. Ze moeten door ons getoetst worden aan de wet Gods. Blijkt dan, dat ze goed zijn, dan mogen ze worden nagevolgd. Tenzij dat het gaat om daden of woorden, die een zeer bijzondere plaats innemen in verband met de openbaring Gods.

Wij hebben Abraham niet na te volgen, als hij uit zijn land trekt, of als hij zijn zoon gaat offeren. Evenmin de profeten, als ze hun profetieën geven of de apostelen, als ze zendbrieven schrijven. Het leven van de Bijbelheiligen kan ons verder tot troost zijn. We mogen er in opmerken, hoe God de zijnen leidt, de beloften vervult, zegent en genadig is. Alleen zullen we ook hier in het oog houden, dat wij niet op alles mogen rekenen, wat de Bijbelheiligen ontvingen. Ze komen immers in de Schrift niet als gewone personen tot ons, maar juist' als Bijbelheiligen, mannen en vrouwen, die God noodig had voor de openbaring van Zijn daden en woorden aan alle volken en alle tijden. [ 17.

Bijbellezing. Een Bijbellezing is een soort van practische 'preek, niet over een enkel vers, maar over een geheele afdeeling (pericoop); al naar het valt over een geheel of een deel van een hoofdstuk. Vooral in kerken, waar naast de Zondagsdiensten ook weekbeurten gehouden werden. De gewone preek was voor den Zondag, maar in de weekbeurt werd een Bijbellezing gehouden. Men koos dan bij voorkeur de geschiedenis van Abraham (Gen. 12—25); van Izaak (Gen. 26—35), van Jakob en Jozef (Gen. 37—50) of van de Richteren, Ruth, Daniël, Jona enz., en verklaarde dan zulk een afdeeling strenganalytisch d. i. woord voor woord en vers voor vers, om er, zoo tusschendoor, enkele practische opmerkingen uit af te leiden. Een tijd lang zijn deze Bijbellezingen zeer in trek geweest en ongetwijfeld hebben zij hier en daar rijken zegen afgeworpen. Zelfs zijn er als vrucht daarvan enkele schoone verhandelingen verschenen. Men denke maar aan de bekende Bijbellezingen van Da Costa. Maar dat was toch slechts tijdelijk. Op plaatsen waar de bediening des Woords aan haar doel beantwoordde en het Woord Gods voor verstand en hart eenvoudig en bevattelijk werd verklaard en toegepast, raakten de Bijbellezingen veelal weer in onbruik en zijn zij van lieverlede in een soort lidmaten-catechisatie ontaard. Daarbij komt, dat maar zeer weinig leden der gemeente een avond in de week voor de Bijbellezing vrij kunnen nemen. Zoo wordt ze nog slechts in enkele gemeenten gehouden. [ 11.

Bijbels voor leeken. Men kan eigenlijk niet zeggen, dat de Roomsche kerk den leeken ooit bepaald verboden heeft den Bijbel te lezen. Maar wel is waar, dat meer dan eens werd verboden bepaalde vertalingen van den Bijbel te lezen. Zoo richtte zich b.v. de synode van Toulouse in 1229 tegen de overzetting der Waldenzen. Ook later in de dagen der hervorming werden doorgaans bepaalde vertalingen op den index geplaatst. In dien tijd gaf de Roomsche geestelijkheid noodgedrongen, omdat de Bijbel toch werd gelezen, zelf meer dan één vertaling. In de Middeleeuwen deed ze dit niet en onthield daardoor praktisch de Schrift aan het volk. En zoo is het te begrijpen, dat verschillende mannen zich gedrongen gevoelden iets voor het volk te doen. Hiertoe moesten in de eerste plaats dienen de z.g.n. bijbels der armen (biblia pauperum). Dit zijn eigenlijk niet anders dan ten hoogste 50 voorstellingen uit het leven van Jezus, zeer eenvoudig uitgevoerd. Bij elke afbeelding komen