is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOETE

343

enkele beginselen der Reformatie beriepen, waar trouwens niets tegen te zeggen was. Hun toestand op sociaal gebied was verre van benijdenswaardig. Het is onbillijk, wanneer men niet een open oog heeft voor de destijds bestaande misstanden. Gematigden onder de boeren stelden 12 artikelen op „aller Bauerschaft" waarin gevraagd werd om opheffing der lijfeigenschap (Coll. 3 : 11); vrijdom van visch- en jachtrecht (Gen. 1 : 28); vrije keuze van predikanten enz. Zij wilden van al deze eischen afzien, wanneer deze niet in Gods Woord gegrond waren en zij riepen Luther, Melanchton e. a. tot scheidsrechters op. De Schwabische vorstenbond verwierp deze 12 artikelen. De ontmoedigde boeren kwamen nu onder den invloed van revolutionaire geesten, gedeeltelijk voortgekomen uit de Wederdöopers. Zoo begon de boerenkrijg. Op 16 April 1525 werd Weinsberg veroverd en graaf Helfenstein gruwelijk vermoord. De opstand, waarvan de zetel in Schwaben en Franken lag, plantte zich voort naar het Oosten (Oostenrijk), naar het Westen (Elzas) en naar het Noorden (Saksen en Thüringen). In de laatstgenoemde landen stelde Thomas Münzer zich aan het hoofd der oproerigen. Erfurt opende de poorten voor hen.

Luther had eerst medelijden met de onderdrukte boeren. Hij schreef in 1525 zijn Vermaning tot den vrede op grond der 12 artikelen der Bauerschaft in Schwaben. In dit geschrift wees hij den onderdrukkers zoowel als den onderdrukten hun plaats aan. Toen echter onder de boeren een revolutionaire geest openbaar werd, en zij, tegen alle wet en regel in, zich aan moord en diefstal gingen schuldig maken, beproefde Luther eerst nog met zijn woord de oproerigen in bedwang te houden; maar toen dit hem niet gelukte en hij zelfs met levensgevaar uit hun midden ontkwam, begon hij de overheid te vermanen, om het van God haar geschonken zwaard te gebruiken. Landgraaf Filip verbond zich, nadat hij in Hessen den opstand gedempt had, met Heinrich van Brunswijk, George van Saksen en den graaf van Mansfeld, om de beweging te onderdrukken. Een schare van boeren, 8000 in getal, werd bij Frankenhausen (1525) door de vereenigde vonten verslagen. Münzer en zijn vriend Pfeiffer werden onthoofd, en 100.000 boeren werden helaas het slachtoffer van deze revolutionaire beweging. { 24.

Boete. Het woord boete is door de Reformatoren opgevat als een vertaling van het Nieuw-Testamentische woord fierdvoia, in de beteekenis van verandering in de innerlijke gezindheid des harten. „Zij is", zegt Calvijn, „een waarachtige bekeering onzes levens tot God, die uit een oprechte en ernstige vreeze Gods voortkomt, en in de dooding onzes vleesches en van den ouden mensch, mitsgaders in de levendmaking des Geestes gelegen is. In dezen zin moeten verstaan worden al de predikatiën, waarmede de profeten eertijds en de apostelen naderhand de menschen van hunne tijden tot boetvaardigheid vermaand hebben", Institutie III, 3,5.

Boete en bekeering zijn de grondzuilen der profetische prediking. Nu eens worden afzonderlijke personen of volksklassen, dan weer het

geheele volk van Israël vermaand om zich af te keeren van het kwaad en zich te keeren tot den Heere. In den messiaanschen tijd wordt de vernieuwing des levens en de vergeving der zonden het deel van het volk (Jerem. 31 : 31—34).

Johannes de Dooper en Jezus treden op met de prediking der boete en bekeering: „Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matth. 3 : 2; 4 : 17; Mare. 1 : 15). Bekeering en geloof is noodig om het koninkrijk der hemelen in te gaan. Jezus verduidelijkt deze prediking in de bergrede, waar Hij zegt dat het koninkrijk der hemelen het deel is van de armen van geest, van de treurenden, van de zachtmoedigen, van hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Matth. 5 : 3—6), en dat men alleen door de enge poort kan ingaan tot het eeuwige leven (7 : 14), dat Hij niet roept rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering (Matth. 9 : 13; 11 : 28). Die in waar berouw en in oprecht geloof tot Jezus komt, ontvangt vergeving van zonden (Luc. 7 : 50). In de gelijkenis van den verloren zoon stelt Jezus voor een afgedoolde, die in het vreemde land, door ellende en gebrek verteerd, opstaat, tot den Vader gaat en met schuldbelijdenis wederkeert.

Bij Johannes komt het woord boete niet voor, maar wordt als voorwaarde voor den ingang in het koninkrijk der hemelen gesteld de wedergeboorte, een werk Gods, waardoor de mensch herschapen wordt (Joh. 3 : 5). Bij Paulus wordt de innerlijke verandering voorgesteld als een sterven en begraven worden met Christus en een opgewekt worden tot een nieuw leven (Rom. 6:3; Gal. 2 : 20); als het afleggen van den ouden mensch en het aandoen van den nieuwen mensch (Ef. 4 : 22—24; Col. 3 : 10), terwijl volgens 2 Cor. 7 : 10 de ware bekeering opkomt uit de droefheid naar God, een droefheid geboren uit het berouw over de zonde en een behoefte naar vergeving.

Volgens het Nieuwe Testament bestaat dus de lioete altoos in een innerlijke zinsverandering, welke het zondig leven bij het licht van Gods aangezicht erkent en betreurt, en gepaard gaat met een begeerte om een nieuw leven te leiden naar 's Heeren wil. Daarmede gaat gepaard de vermaning om elkander de zonden te belijden en als heiligen met en voor elkander te leven. De geloovigen bereiken op aarde de volkomenheid niet, zij struikelen allen in vele (Jac. 3:2;

1 Joh. 2 : 8), zij kunnen afdwalen en daarom komt tot hen de roepstem om zich te bekeeren (Luc. 22 : 32; Openb. 2:5) en elkander de misdaden te vergeven (Matth. 6:12; Jac. 5:16).

Dit hooge levensideaal bezielde de Christenen ook in den eersten tijd na de apostelen (1 Clem., Did. 4 : 14). Maar toen de leer van de gemeente als een schare van heiligen en de ervaring van de groote zedelijke zwakheden in de gemeente met elkander in botsing kwamen, zocht men deze tegenstelling door allerlei middelen te verminderen. Men maakte onderscheid tusschen doodzonden, waarvoor geen vergeving was, en tusschen zonden in zwakheid bedreven (1 Clem.

2 : 3) en stompte de hooge zedelijke eischen af door te onderscheiden tusschen een hoogere en een lagere moraal. Zoo Did. 6: „"Wanneer gij