is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CALVIJN

409

beginne trad hij bescheiden achter Farel op, maar langzamerhand kwam hij door zijn uitnemende gaven op den voorgrond te staan. Hij nam met Farel deel aan de invoering der Reformatie in Waadtland (1236). Met bijzondere vrucht bestreed hij de Wederdöopers. Voor de jeugd en de burgerij stelde hij een Catechismus op, die niet uit vragen en antwoorden bestond. Volgens opdracht van den Raad schreef hij ook een geloofsbelijdenis in 21 artikelen. Dit werd de godsdienstige grondwet van de republiek. De Raad bezwoer deze geloofsbelijdenis en de burgers moesten toen bij tienen in de kathedraal komen, om door opsteking der handen die geloofsbelijdenis te aanvaarden.

Calvijn verlangde echter nog meer. Hij wilde, dat men niet alleen met den mond belijden zou, doch pok met het leven zijn belijdenis zou bevestigen. Daartoe moest de echte bijbelsche tucht, welke door de Roomsche kerk verdorven was, weder in eere hersteld worden, en wel om drieërlei oorzaak, 1° opdat de naam van Christus niet gelasterd zou worden, 2° om de zondaars tot berouw te brengen, 3° om de andere leden voor het kwade te bewaren. Er moesten mannen benoemd worden, zuiver van belijdenis en wandel, die met de predikanten moesten waken voor orde en tucht in de kerk. Aanvankelijk scheen deze maatregel doel te treffen, maar spoedig kwam er reactie. Velen wilden de strenge zedentucht niet Daarbij kwam een conflict met Bern. In die stad was een Luthersch-gezinde meerderheid aan het bewind gekomen. Farel had bij de Reformatie in Waadtland en Genève enkele feestdagen afgeschaft en gezuurd brood bij het avondmaal gebruikt. Toen die van Bern zich daarover bij den Raad van Genève beklaagden, besloot de Raad aan de predikanten te gelasten de genoemde gebruiken af te schaffen. Calvijn, die de zaak, op zichzelve beschouwd, van geen overwegende beteekenis vond, zag echter in het besluit van den Raad een ingrijpen van de overheid in kerkelijke zaken en daartegen moest hij zich verzetten. Op Paschen gingen Calvijn en Farel, door gewapende vrienden omringd, naar de kerk en zij verklaarden, dat zij vanwege de kerkelijke en zedelijke misstanden het avondmaal niet konden bedienen.

Dinsdags na Paschen, 23 April 1538, werden Calvijn en Farel afgezet en enkele dagen daarna uit de stad verbannen.

Calvijn is, dat heeft hij later zelf erkend, meer dan eens te heftig geweest; maar in het wezen der zaak had Calvijn het recht aan zijn zijde. Het ging toch om het groote beginsel van de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der kerk.

Toen Calvijn uit Genève verbannen was, werd hij door Bucer uitgenoodigd naar Straatsburg te komen. Die stad was tusschen Zwingli's dood en den Schmalkaldischen oorlog een centrum geworden van het Gereformeerd Protestantisme. Men vond er mannen als Bucer, Capito, Hedio en anderen. Er was een beroemde school onder de leiding van Johannes Sfurm, die vele leerlingen telde. Aanvankelijk weigerde Calvijn. Hij wilde aan de uitnoodiging van Bucer, die Calvijn begeerde voor de verzorging der Fransche vluchtelingen-gemeente, niet voldoen. Maar, toen

Bucer hem wees op het lot van Jona, ging Calvijn in September 1538 naar Straatsburg.

Hij hield eerst voorlezingen voor de hoogste klasse der school van Sturm. Spoedig gevoelde Calvijn zich in zijn nieuwe omgeving volkomen thuis. Met buitengewonen ijver wijdde hij zich aan de bediening des Woords, de uitlegging der Heilige Schrift, het huisbezoek, de tucht en de armenzorg. Hij hield er verschillende twistgesprekken met Wederdöopers en sommigen van hen wist hij van dwaling te overtuigen. Het verblijf in Straatsburg was voor Calvijn in menig opzicht zeer gezegend.

Als predikant van de Fransche vluchtelingengemeente liet de overheid hem geheel vrij in de inrichting zijner gemeente. Hij sloot zich aan bij de in Straatsburg bestaande liturgie, welke zijn ideaal zeer nabij kwam. Het kerkgezang was een voorwerp van zijn gedurige zorg. Hij berijmde eenige psalmen, een musicus te Straatsburg gaf er de melodieën bij en vermeerderd met een achttal psalmen van Clement Marot gaf hij die in 1539 uit. Dat was het eerste psalmboek, dat in de Fransche Gereformeerde kerk van Straatsburg bij den kerkedienst gebruikt werd. Van Straatsburg uit werd Calvijn in de gelegenheid gesteld, om aan de belangrijke godsdienstgesprekken te Hagenau, Worms en Regensburg deel te nemen. Bij die gelegenheden maakte hij kennis met verschillende Duitsche vorsten en met Melanchton. Voor Luther, dien hij niet persoonlijk ontmoette, koesterde hij groote achting. Voor vele dingen in Straatsburg was Calvijn zeer dankbaar, maar één ding hinderde hem eenigszins. Hij genoot geen vast salaris tot 1 Mei 1539, toen de overheid hem aanstelde op een salaris van 52 gulden per jaar (d. i. ongeveer 520 gulden, naar onzen tijd berekend, en sinds den oorlog misschien gelijk te stellen met Circa 1000 gulden). Hij had dan ook dikwerf met geldgebrek te worstelen. Desalniettemin drongen zijn vrienden bij hem erop aan, dat hij een huwelijk zou aangaan. Hij vond, mede door de bemiddeling van zijn vrienden een levensgezellin, „kuisch, gewillig, bescheiden, spaarzaam, geduldig en die voor de gezondheid van haar man goede zorg droeg". Die vrouw was Idelette van Buren, een weduwe van een door Calvijns woord veranderd Anabaptist. Zij was een vrouw gesproten uit een adellijke familie, die dicht bij Luik woonde. Negen jaar is zij hem een trouwe gade geweest.

Tijdens zijn verblijf in Straatsburg heeft Calvijn nog een brief geschreven aan den kardinaal Sadoletus. De oorzaak daartoe was de volgende. Toen Farel en Calvijn uit Genève verdreven waren, had deze kardinaal aan zijn dierbare broeders „den raad en de burgers van Genève" een listig gesteld schrijven gericht, waarin hij hen trachtte te overreden tot de Roomsche kerk terug te keeren. Omdat niemand dit schrijven beantwoordde, greep Calvijn op verzoek van zijn vrienden naar zijn welversneden pen en schreef hij een „Antwoord op den brief van Sadoletus", waarin hij aantoonde, dat de burgers van Genève zich niet van de kerk afgescheiden hadden, maar dat zij teruggekeerd waren tot den waren dienst van God, zooals