is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CATECHESE

429

karakter der catechese, 1900; H. Meulenbelt, Onze Catechese2, 1913; T.Hoekstra,Psychologie en Catechese, 1916; A. van Veldhuizen, Catechetiek, 1925.

Het doel van de catechese is het onmondig kerklid door middel van onderwijs op te kweeken tot mondig lid der gemeente des Heeren. Als kind des verbonds geboren, heeft het den doop ontvangen. De doop is uitgangspunt van heel de opvoeding, en van alle onderwijs. Het jonge kerklid moet geleid worden van het eerste tot het tweede sacrament, het moet persoonlijk den Heere Christus als zijn koning leeren erkennen, en in staat zijn zichzelf te beproeven met het oog op het heilig avondmaal. De kerk is geroepen die verbinding tusschen het eerste en tweede sacrament tot stand te brengen, en door middel van onderwijs de jeugdigen te doen komen tot openbare belijdenis van het geloof, opdat zij na de belijdenis toegang verkrijgen tot het avondmaal. Het onderwijs op de catechisatie is dus van religieusen aard en heeft een religieus doel. Onder inroeping van de werking des Heiligen Geestes moet het jonge kerklid daartoe geleid worden, dat het in zijn eigen geestelijke ervaring de drie stukken van den Catechismus, nl. ellende, verlossing en dankbaarheid, persoonlijk leert kennen. Er wordt onderwijs gegeven in de school, waar de Christelijke religie leervak is; zal het kind als volwassen lid der maatschappij kunnen optreden, dan moet het ook door het vak der religie opgevoed worden tot een goed burger. Voorts hebben de ouders een taak in de religieuze opvoeding; zij moeten de loffelijkheden des Heeren vermelden aan de kinderen (Deut. 4 : 9; Ps. 78 : 2—7) en hun kinderen opvoeden in de vreeze en vermaning des Heeren (Ef. 6 : 4). In bizonderen zin is het de taak der kerk het zaad des verbonds religieus op te voeden. Er moet een band gelegd worden tusschen het nageslacht en het voorgeslacht; zij, die in de kerk geboren worden, moeten ingeleid worden in de schatten van geestelijke kennis die de kerk heeft verzameld, zij moeten de taal der Heilige Schrift en de taal der kerk leeren verstaan. De kerk heeft er ten hoogste belang bij dat zij zelf de aansluiting tot stand brengt tusschen het verleden en het heden. De Heere zelf heeft aan Zijn kerk opgedragen de lammeren der kudde te weiden (Joh. 21 : 15). Zoo is de kerk dus geroepen door haar ambtelijke organen voor onderwijs en opvoeding van de Christelijke jeugd in de religie te zorgen. De ambtsdrager, daarvoor aangewezen, is de ouderling die arbeidt in de leer, n.1. de dienaar des Woords.

Het object der catechese is het jeugdige kerklid van het tiende tot het één en twintigste jaar. Op negenjarigen leeftijd is het kind in staat zelfstandig een eenvoudige les te leeren, en heeft het reeds zoo veel kennis, dat het 't onderwijs op de catechisatie gemakkelijk kan opnemen. Er is wel eens bezwaar gemaakt tegen kindercatechisatie, omdat dan slechts gerepeteerd zou worden wat op de Christelijke school wordt geleerd. Maar "daartegen zij opgemerkt: 1°. het onderwijs door den dienaar des Woords wordt, daar hij de religieuze opvoeding op 't oog heeft, uit een

ander gezichtspunt gegeven; hij zal de Bijbelsche geschiedenis vertellen als heilsgeschiedenis en laten zien dat in de heilsfeiten zich de wil Gods tot onze redding in Jezus Christus openbaart. 2°. Het onderwijs draagt een opvoedend karakter,, en vooral op dezen leeftijd kan er zooveel invloed ten goede van den dienaar des Woords uitgaan. Het kind is nog niet critisch en leunt op gezag. Op de kindercatechisatie kan gemakkelijk de band van vertrouwen tusschen leeraar en leerling worden gelegd. Tracht men dit eerst op de volgende catechisatie, d. i. bij jonge menschen in de puberteitsjaren te doen, dan is het in vele gevallen te laat.

De twintigjarige leeftijd kan, in doorsnee genomen, als de grens naar boven voor de catechisatie worden gesteld. Sommige Gereformeerden wilden die grens lager stellen. Calvijn liet jonge menschen op hun 15e jaar tot het avondmaal toe, a Lasco was van hetzelfde gevoelen, en in onderscheidene landen is de practijk nog zoo. Hiertegen zijn echter gewichtige bezwaren aan te voeren. Ten eerste kan op zoo jeugdigen leeftijd de kennis van de heilswaarheid slechts zeer gering zijn, diepere stukken der leer kunnen niet behandeld, omdat ze niet worden geabsorbeerd. Het abstraheerend, begrippenvormend vermogen is nog weinig actief. Ten tweede doorleven onderscheidene menschen op den leeftijd tusschen 16 en 20 jaar een crisis. Daaruit blijkt dat zij geestelijk nog niet volgroeid en nog niet mondig zijn. Gewenscht is het, dat zij onder goede leiding van den dienaar des Woords door de crisis worden heen geholpen. Juist dan kunnen zij de leiding van een geestelijken vader niet ontberen. Ten derde komt de jonge mensch aan het einde van deze periode, op circa twintigjarigen leeftijd tot zelfstandigheid, hij voelt zich als een eigen persoon en leert op eigen beenen staan. Zoowel in het natuurlijke als in het geestelijke. Het pure autoriteitsgeloof begint plaats te maken voor persoonlijk geloof. Om deze redenen moet als leeftijdsgrens voor den catechisant ongeveer de twintigjarige leeftijd worden vastgesteld.

De stof voor de catechese is in .de eerste plaats de Heilige Schrift, voorts de belijdenisschriften, de geschiedenis der kerk, hoofdzaken van kerkrecht, liturgie en zending.

Wat de methode betreft, naar psychologische gegevens verdient het de voorkeur den leergang aldus in te richten dat de eerste catechisatie leerlingen van het tiende tot het dertiende a veertiende jaar opneemt; onderwijsstof is de heilsgeschiedenis. De tweede catechisatie is voor leerlingen van het veertiende tot het zeventiende jaar; onderwijsstof is de catechismus in verband met de heilsgeschiedenis. De derde catechisatie voor leerlingen van het zeventiende tot het één en twintigste jaar; onderwijsstof is de catechismus in verband met de Nederlandsche geloofsbelijdenis en de Dordtsche leerregels. (Door de Generale Synode van de Gereformeerde kerken in Nederland vergaderd te Utrecht 1923 is een commissie benoemd aan wie opgedragen is een Leerboek voor de catechisatie te ontwerpen). Er moeten, behalve voor de kinderen, afzonderlijke catechisaties