is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTENDOM

449

zij ook waarachtig en is geen leugen, en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven." Bestaat het karakteristieke van den Christen dus daarin dat de zalving van Christus hem ten goede komt, dat hij aan die zalving deel heeft en dat hij ook een gezalfde met den Heiligen Geest is, dan vloeit hieruit voort dat er voor den geloovige aansluiting is aan het drievoudig ambt van den Christus, dat de zegeningen en weldaden door Christus in zijn drievoudig ambt verworven hem ten goede komen, en dat hij op zijn wijze geroepen is God in het drievoudig ambt van profeet, priester en koning te dienen.

Christen in den hoogen en vollen zin van het woord is hij die, door de kracht der zalving, Christus erkent als den hoogsten Profeet en Leeraar, van Hem alleen de ware wijsheid en kennis wil ontvangen, maar nu ook zelf profeet is, God in het aangezicht van Christus recht kent en Hem oprechtelijk belijdt in het midden der wereld. De profeet belijdt den naam des Heeren (Mare. 8 : 32) en verkondigt de deugden desgenen die hem uit de duisternis geroepen heeft tot het wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9). Maar de Christen erkent ook Christus als den éénigen Hoogepriester, die met de éénige offerande Zijns lichaams verlost heeft en met Zijn voorbidding steeds tusschentreedt bij den Vader, maar hij is ook zelf priester, die zich Gode offert met ziel en lichaam tot een levend dankoffer (Rom. 12 : 1; 1 Petr. 2 : 5, 9; Openb. 1 : 6) en biddend leeft bij den troon des Heeren (Openb. 5 : 8). En eindelijk erkent de Christen den Christus Gods als den eeuwigen Koning,

•aai £itn gewiing regeeren aoor Zijn Woord en Geest en vertrouwt ten volle op zijn Goddelijke kracht om bij de verworven verlossing te beschutten en te behouden, maar hij is ook zelf koning, en wijdt alle gaven, talenten en levenskrachten den Heere, besteedt die in Gods eere, en bindt op elk terrein des levens den strijd aan tegen de zonde, de wereld en den duivel, en zal hiernamaals in eeuwigheid met Christus over alle schepselen regeeren (Rom. 6 : 12, 13: Efez. 6:11—17; 1 Tim. 1:18,19; 2 Tim.2:12;

1 Joh. 2 : 13, 14; Matth. 25 : 34: Openb. 1 :6;

2 : 26; 3 : 21; 20 : 6).

Een Christen is dus hij, in wien Gods genade het beeld Gods hersteld heeft. De mensch is geschapen naar Gods beeld om voor God den Heere profeet met zijn verstand, priester met zijn hart, koning met zijn hand te zijn. Maar door de zonde werd hij een verdwaasd scholier van den Booze, een slachtoffer van den Duivel, een slaaf van den Satan. Door Christus en door de zalving des Heiligen Geestes is hij bekwaamd en geroepen weer voor God den Heere profeet, : priester en koning te zijn. In dit leven bij aanvang en hiernamaals ten volle. [ 16.

Christendom. Een onderwerp als het Christendom in een kort bestek te bespreken eischt, F* ^ja,,e biikomstige trekken weglaten en ons tot de drie hoofdvragen n.1. naar zijn oorsprong, wezen en doel bepalen.

V Oorsprong. Het Christendom is niet te verklaren uit den mensch, bijv. uit zijn vrees en liefde voor zijn meerdere, zooals die reeds bij (Cen hond jegens zijn meester wordt gevonden

Ene. 1

(Darwin); of uit zijn gevoel van zwakheid jegens de natuur, die de behoefte aan een hooger wezen, dat ons staande houdt, doet ontwaken. Immers dan zou het Christendom slechts toevallig noodzakelijk zijn, zoolang de mensch zich niet redden kon. Maar zoodra hij door toenemende cultuur zich ontwikkelt, zich meester begint te gevoelen over de natuur en zichzelf weer redden kan, heeft hij God niet meer noodig I Het is dan geen algemeen en noodzakelijk, maar slechts een toevallig verschijnsel.

Het Christendom is alleen uit God te verklaren en heeft zijn bestaan aan Gods openbaring te danken. Reeds in het algemeen veronderstelt de religie (godsdienst) drie beginselen n.1. het bestaan Gods, de openbaring Gods in natuur en Schrift, en den godsdtensttgen aanleg in den mensch. Maar het Christendom veronderstelt als Christelijke religie bovendien de zonde en is daarom voorwerpelijk alleen uit de openbaring van Gods genade in Christus en onderwerpelijk alleen uit de herschepping van den mensch naar Gods beeld, dus uit de wedergeboorte, enz. te verklaren. Deze drie beginselen rusten op het Trinitarisch wezen Gods. Het is God de Vader, die in den Zoon en door den Heiligen Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren (Matth. 11 : 27). En niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest,

Het heeft zijn kenbron daarom in de Heilige Schrift en wel in Oud en Nieuw Testament. In het Oude Testament hebben wij de bedeeling der beloften en in het Nieuwe Testament die der vervulling in Christus. Beide zijn bedeelingen van het zelfde genadeverbond, dat in Christus' bloed bevestigd is, en verhouden zich als schaduw en lichaam (Col. 2:17); als letter die doodt en als Geest, die levend maakt (2 Cor. 3 : 6 v.v.); als dienstbaarheid en vrijheid (Rom. 8:15; Gal. 4 : 1 v.v.); als belofte en vervulling (Hand. 13 : 32; Rom. 1 : 2). Niemand mag op eigen gelegenheid uitmaken, wat het Christendom is. Wij moeten de kennis er van putten uit de bron der Schrift.

Wezen. De vraag naar het wezen van het Christendom hangt saam met de vraag: „Wat dunkt u van den Christus, wiens Zoon is Hii ?" (Matth. 22 : 42). Was Hij slechts een gewoon mensch, maar die door de gemeente als een religieus genie, een leeraar der deugd en een vroom priester werd vereerd (Modernen), dan is het Christendom slechts een menschelijk stelsel of een historisch verschijnsel. Zoo is de Christusgestalte door velen al meer van alle Goddelijke eigenschappen ontdaan en is Hij tot een man van wetenschap of kunst, tot een politicus of oeconoom, tot een sociale hervormer of demagoog, tot een partijman of klassenstrijder verhoogd. Maar is Jezus de Christus, de Zoon des levenden Gods, die van God den Vader gezonden en op aarde gekomen is om zondaren zalig te maken, dan is het Christendom het eenige verlossings-evangelie, dat een arme, zondige menschheid van haar schuld en ellende bevrijdt; dan ligt er de verlossing voor man en vrouw, voor den volwassene en voor het kind, voor den

29