is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

454

CHRISTUS

Roomschen waren in die vereeniging welkom. In Leiden en Rotterdam vond dit pogen navolging ; maar het onbelijnde en beginsellooze, dat deze vereeniging kenmerkte, was alreeds een profetie van haar toekomst. Toen de vereeniging 25 jaar bestaan had, stierf zij aan bloedarmoede en in 1858 werd het kerkje, waarin men altoos vergaderde, verkocht. [ 24.

Christus is de naam voor den Middelaar Gods en der menschen, en als zoodanig onderscheiden van den persoonsnaam Jezus. De Joden spreken van den Messias, welke naam, evenals de naam Christus, beteekent: Gezalfde, en dit doelt op het met den Heiligen Geest gezalfd zijn tot Profeet, Hoogepriester en Koning. Messias is de Hebreeuwsche en Christus de Grieksche naam.

Niet alleen bij Israël was er een geloof in den komenden Messias, maar ook in de oude Heidenwereld was er hoop en verwachting dat er in deze ellendige wereld ten slotte iemand komen zou om redding en verlossing aan te brengen. Hieruit blijkt dat met name in de Heidenwereld van het Oosten de heugenis is blijven voortleven van de paradijsbelofte dat eens het Vrouwenzaad zou komen om aan de Slang den kop te vermorzelen, en van de belofte door Noach gegeven, dat niet alleen Sem gezegend zou zijn maar dat ook Japhet in dien zegen zou deelen. Maar toch alleen bij Israël, toen het in de dagen van Abraham van de Heidenwereld werd afgezonderd, was de ware en zuivere profetie van den komenden Messias bekend, en daar is zij door de voortdurende profetie langzamerhand tot volledige openbaring geworden. We moeten hierbij nu niet alleen denken aan de bekende adventsprofetieën die rechtstreeks den Messias profeteeren, maar wel verstaan dat geheel de Oud-Testamentische bedeeling met haar personen, ambten, instellingen en ceremonieën één heenwijzen is naar den komenden Messias. Het is alles beeld en schaduw van wat in de komst van Christus vervuld is. Niettegenstaande dat de profeten Hem hadden aangekondigd als de Verlosser van schuld en zonde, als de Verzoener van God en menschen, en Johannes de Dooper had betuigd dat de Christus zou komen om het Koninkrijk Gods of het Koninkrijk der hemelen op aarde weer op te richten, verwachtte men in Israël een Messias die een aardsch koninkrijk zou stichten op den troon van David, die het Joodsche volk zou verlossen van de Romeinsche overheersching en zou heerschen met aardsche macht over de Heidenwereld.

ne naam Christus beteekent „aezalfde". WH

hebben hierbii te denken dat in het Oude Tes¬

tament veelal de profeten, in elk geval de hoogepriesters en de koningen gezalfd werden met olie. Maar dit was zinnebeeld van de zalving met den Heiligen Geest, en zóó is Christus gezalfd in den wezenlijken zin van het woord (Ps. 2 : 6; 45 : 8; Jesaja 61 : 1 ; Joh. 3 : 34; Hand. 10 : 38). Als wij lezen Ps. 45:8: „Daarom heeft U, o God, uw God gezalfd met vreugdeolie boven al uwe medegenooten", dan hebben wij dit zoo te verstaan dat boven allen, die ook de zalving tot het ambt ontvingen, de Messias is gezalfd tot zijn Messiasambt. Deze zalving met

den Heiligen Geest vond aanvankelijk plaats bij de ontvangenis van den Heiligen Geest, en met name bij den Doop door Johannes den Dooper, toen de Heilige Geest zichtbaar op Hem nederdaalde en op Hem bleef. En door deze zalving is de Middelaar ten volle bekwaamd en bekrachtigd tot vervulling van zijn ambt.

De Persoon van Christus Jezus is waarachtig God, zijn Ik is de Tweede Persoon der Heilige Drieëenheid. Zij, die den Persoon van Christus wonderhoog verheffen, als religieus genie, als ideaal van zedelijke volkomenheid, maar Hem niet als God aanbidden doen een groote dwaasheid, want indien iemand die, hoe hoog hij ook staan moge, toch slechts maar een mensch is, zóó van zichzelven spreekt als de Christus en zich zóó laat vereeren door zijn jongeren en discipelen als de Christus het liet doen, dan zou men volkomen te recht spreken van waanzinnige dweepzucht of vreeselijke godslastering. En hoe schrikkelijk de daad van het Sanhedrin ook geweest zij om den Christus ter dood te veroordeelen, toch moet men eerlijk zijn en zeggen dat waar de leden van het Sanhedrin niet geloofden aan het God-zijn van Christus, zij op hun standpunt recht deden wegens godslastering ter dood te veroordeelen een die zeide de Zone Gods te zijn, van wien zij het niet geloofden. Maar Christus aanvaardt in de deelen van Cesarea Filippi de belijdenis van Petrus dat Hij is de Zone des levenden Gods, en spreekt op die belijdenis het „zalig zijt gij" uit (Matth.

16 : 13—lo), en in net danneann vermaan nq onder eede aan Kajafas dat Hij is de Christus, de Zoon van God (Matth. 26 : 63, 64). Altoos

spreekt Hij van Zichzelven ais uoa: „ik en ae Vader zijn één" (Joh. 10 : 30), Hij weet van alle eeuwigheid te zijn: „eer Abraham was ben Ik" (Joh. 8 : 58) en heerlijkheid bij den Vader gehad te hebben vóór de grondlegging der wereld (Joh. 17 : 5). Hij spreekt, God zijnde, de vergeving der zonde. En Israël verstaat de diepe beteekenis hiervan, want het zegt: „wie kan de zonde vergeven dan alleen God" (Mare. 2 : 7). En omdat de Christus God is en Zichzelven God weet te zijn, vraagt Hij in Hem te gelooven, welk geloof alleen Gode toekomt, „gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Joh. 14:1). Het is daarom ook dat de apostelen in hun brieven telkens van Christus met den naam God spreken: „welke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid" (Rom. 9 : 5).

Het is echter niet in meer algemeenen zin dat Christus zichzelven als God kent en als God wordt geopenbaard, maar hoofdzakelijk als de Tweede Persoon der Heilige Drieëenheid. Hij is de Zoon des Vaders. Gabriël zegt aan Maria: „het Heilige dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden" (Luc. 1 : 35). Bij den doop door Johannes den Dooper getuigt de Vader: „Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in denwelke Ik mijn welbehagen heb" (Matth. 3:17). Petrus belijdt: „Gij zijt de Zoon des levenden Gods" (Matth. 16 : 16), en voor Kajafas belijdt de Christus onder eede de Zone Gods te zijn (Matth. 26 : 63, 64). Nu is het wel waar dat die naam „Zoon van God" somtijds een meer algemeene beteekenis heeft voor den koning Israëls