is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTUS

455

en voor de rechters (Ps. 82:1,6; Joh. 10:35,36), maar het is zeer duidelijk dat de naam Zoon van Qod bij den Christus een gansch éénige beteekenis heeft, want Hij is Gods ééngeboren en eigen Zoon, de natuurlijke Zoon van God door Hem gegenereerd (Ps. 2 : 7) en door Hem uit Maria geboren (Joh. 3 : 16; Rom. 8 : 32), en daarom zeide Hij dat God zijn eigen Vader was (Joh. 5 : 18). En zoo ook verstaan we dat de apostel Johannes in den proloog van het Evangelie, waar van de vleeschwording des Woords gehandeld wordt, niet zegt dat God vleesch geworden is, maar dat het Woord, de Logos vleesch is geworden en onder ons heeft gewoond, en dat de apostelen hebben aanschouwd zijn heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid (Joh. 1:14) En dat Woord, die Logos, in Christus vleesch geworden, is de Tweede Persoon der Drieëenheid, de Zoon, die in den schoot des Vaders is de Eeniggeborene (Joh. 1 : 18). Christus is God, maar Hij is de Zoon van Gods liefde, het Beeld des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen (Coloss. 1 : 13, 15), het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid(Hebr. 1:3). Als dus van Christus' Ood-zijn gesproken wordt, dan is Hij altoos nader bepaald: de Wijsheid, het Woord, de Logos, het Beeld, de Zone Gods, en dus de

i wccuc r-ersuun van ae neuige Drieëenheid.

Twee naturen. Is het Woord vleesch geworden, en is de Christus boven allen te prijzen in der eeuwigheid, zoo veel het vleesch aangaat uit de vaderen, dan volgt daaruit dat het ééne Ik, de Persoon van Christus leefde in twee naturen, in de waarachtig goddelijke en in de waarachtig menschelijke natuur. De waarachtig goddelijke natuur Wijkt uit zijn eeuwig vóórbestaan (Micha 5:1; Joh. 8 : 58), uit zijn deelnemen in de schepping en onderhouding van alle dingen zienlijke en onzienlijke (Joh. 1 : 1—4- 1 Cor' 8 : 6; Efeze 3:9; Coloss. 1 : 15, 16,17;Hebr! 1 : 3), uit zijn verwerven van alle heil en zaligheid (Joh. 1 : 16; Hand. 4 : 12; 1 Cor. 1 : 30) uit zijn triumfeeren over den dood (Rom. 1:4), "?t heJ zich hebben van de levenselementen (Joh. 11 : 25), uit zijn absoluut Koningschap over de gemeente (Matth. 10 : 32, 33, 37; Efeze 1 : 22!, Coloss- 1 : 18), uit zijn heerschappij over alle dingen (Matth. 11 : 27, 28; Joh. 3:35;

1 Cor. 15 : 27; Efeze 1 : 20-22; Coloss. 2:10 Hebr. 2 :8; Openb. 1 : 18; 3 : 7), uit het oordeel op den Jongsten Dag dat in zijn hand gesteld is (Joh 5 : 22, 27; Hand. 10 : 42; Rom. 14:10; uihfl' ■ : En de ware uienscheüjke natuur blijkt uit zijn ontvangenis door den Heiligen Geest in den moederschoot van Maria, en uit zijn geboren-zijn uit de maagd Maria (Luc. 1 : 35;

2 : 6, 7). Naar luid der profetie is de Christus geboren als het Zaad der vrouw, uit een maagd (Gen. 3 : 15; Jesaja 7 : 14), zoo is Hij ons vleesch en bloed deelachtig geworden (Hebr. £ : 14), en vinden wij in Matth. 1 : 1—16 en

ÏÜ" ..: ir.r28 ziin geslachtsregister, waarin Hij uitdrukkelijk genoemd wordt: de Zoon van Abraham, de Zoon van David (Matth. 11) De naam Zone Davids is zelfs in de Evangeliën een geliefkoosde naam en komt telkens voor De

Christus is ontvangen en geboren en langzaam opgegroeid (Luc. 2:40,52). Door de ontvangenis van den Heiligen Geest wordt Hem die als Zone Gods buiten de erfschuld staat, een natuur be2A .1 van erfzonde en is van smet geen sprake. Hij is den broederen in alles gelijk geworden uitgenomen de zonde (2 Cor. 5:21; Hebr. 7:26; 1 Petr. 1 : 19). Hij is niet een menschelijk' persoon of individu, maar de Zone Gods die onze menschelijke natuur heeft aangenomen. Daarom is Hij de Tweede Adam, het hoofd der nieuwe menschheid (1 Cor. 15:45). En zoo ook draagt Hij den naam „Zoon des menschen" een naam die ontleend is aan Dan. 7 : 13"en daar als titel voor den Messias bedoeld is, en door den Christus zeiven veelvuldig gebezigd wordt maar die óók inhoudt dat Hij waarachtig mensch' is, en inging in onze menschelijke natuur, ons vleesch en bloed heeft aangenomen, en Hoofd der menschheid is geworden. En dat Christus waarachtig mensch is geworden blijkt voorts uit allerlei bijzonderheden, want na veertig dagen &e/*2ï !e iebben hongerde hem ten laatste (Matth. 4 : 2), na de reize is hij vermoeid (loh. 7n: o'=?anL„et. kruis klaagt hij: mij dorst (joh. 19 : 25); bij het graf van Lazarus is hij ontroerd m zijn ziel en weent (Joh. 11 : 33, 36) en heel het zware lijden aan het eind zijns levens op aarde is een echt menschelijk lijden in den

v?" "ci woora, want zijn ziel is bedroefd tot den dood toe (Matth. 26 : 25), Hij heeft noodig door een engel getroost en gesterkt te worden (Luc. 23 : 43), zijn angstzweet werd als groote droppelen bloeds, en zielsroerend heeft hij gebeden: Vader, indien het mogelijk is dat deze drinkbeker van mij voorbij ga. Hij had noodig de hulpe van Simon van Cyrene om het kruis voor hem te dragen. En als hij aan het kruis gestorven is, en de Romeinsche soldaat een speer in zijn zijde steekt dan vloeit er bloed

tv>^ie\ ï* M°h- l9:34> 35>- Uit dat alles blijkt dat de Christus een volkomen mensche-

ü,ae1.natuur bezat met al hare bestanddeelen. Hij had niet alleen een menschelijk lichaam waarin allen hem zagen en dat men kon voelen en tasten (1 Joh. 1:1,3), maar ook een menschehjke ziel (Matth. 26 : 35), en ook een menschelijke geest (Luc. 23 : 46) en daarom een menschelijk bewustzijn (Mare. 13 : 32) en een menschelijke wil (Matth. 26 : 39). En hij bezat die menschelijke natuur, niet zooals zij aan Adam gegeven was in den staat der rechtheid maar zooals zij door de zonde verzwakt was' geworden, want God had zijn Zoon gezonden in gelijkheid deS zondigen vleesches (Rom 8 • 3) Eén Persoon en twee naturen. Zoo zijn dus in den Christus èn God èn mensch vereenigd, Hij is de Zone Gods en de Zoon des menschen, zijn ' Persoon, zijn Ik is de Tweede Persoon der Heilige Drieëenheid, maar dat goddelijke Ik heeft twee naturen, de goddelijke en de menschelijke. Reeds in oude tijden heeft de Christelijke kerk nagedacht over de verhouding van die twee naturen en haar belijdenis dienaangaande in het dogma vastgesteld. Het Concilie van Chalcedon, gehouden in het jaar 451, stelde hiervoor de formule vast: onvermengd en onveranderd, maar ook ongedeeld en ongescheiden. Ongedeeld, want