is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTUS

459

ware Hoogepriester, want met zijn voorbidding treedt Hij steeds tusschen bij den Vader, reeds tijdens zijn leven op aarde (Luc. 22 : 31), aan den vooravond van zijn sterven, denk aan het hoogepriesterlijk gebed, ons in Joh. 17 bewaard, aan het kruis (Luc. 23 : 34), en vooral na zijn hemelvaart, nu hij gezeten is aan Gods rechterhand (Rom. 8 : 34; Hebr. 7 : 25). Hij is de Hoogepriester die ons leert bidden het allervolmaaktste gebed, en ons verhooring belooft en toezegt als wij tot den Vader bidden in zijn naam (Joh. 14 : 13; 16 : 23). Hij is de Hoogepriester die zegent met alle geestelijke zegeningen in den hemel (Ef. 1:3), en ons maakt tot koningen en priesters Gode en den Vader (Openb. 1 : 6).

Als koning was hij beloofd, reeds in de adventsprofetie van Jacob onder den naam van Silo, wien allen volken gehoorzaam zouden zijn (Gen. 49 : 10), in die van Bileam, dat een schepter uit Israël zou opkomen (Num. 24 : 17), in die van Jesaja dat de heerschappij op zijn schouders zou zijn (Jesaja 9 : 5), in die van Micha dat hij de Heerscher over Israël zou zijn (Micha 5:1), in die van Zacharia: zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en hij is een Heiland (Zach. 9:9). En voorts wordt in de Psalmen de komende Messias telkens als de van God gezalfde en van God geschonken Koning bezongen (Ps. 2:6; 89 : 19, 28; 110 : 2). Maar wat veel meer is, in de eigenaardige instelling van het koningschap in Israël, onderscheiden we dat van het koningschap bij de volkeren der wereld. Het theocratisch koningschap van David en Salomo en Israëls vrome koningen wees heen naar en profeteerde de komst van het Koningschap van Christus. Toen Israël aan Samuël vroeg: geef ons een koning om ons te richten, lag de zonde niet in het verzoek als zoodanig, want van den beginne aan was aan Israël een koning beloofd, en Juda zelfs als de koninklijke stam aangewezen (Gen. 49 : 8), en ook had Mozes reeds een wet voor den koning van Israël ingesteld (Deut. 17 : 14—20), maar wel schuilde de zonde in de toevoeging: „gelijk al de volken hebben", want de koning Israëls moest juist van de koningen der wereld onderscheiden zijn, en het type vertoonen van den Koning, wiens koninkrijk niet van deze wereld is. En daarom werd Israël gestraft met de zalving van Saul, om eerst later in David den eigenlijken koning, den man naar Gods hart te ontvangen. Diezelfde zonde keert bij Israël in zijn Messiasverwachting terug, want de Messias werd niet als de Koning Sions verwacht, maar als een aardsch vorst, die met militaire macht het Joodsche volk bevrijden zou van de overheersching der Romeinen, en het aan de spits der natiën zou stellen, om het over heel de wereld te doen heerschen. Zoodanig een koninkrijk is den Christus ook aangeboden in de derde verzoeking toen Satan Hem voorstelde de heerschappij over al de koninkrijken der aarde (Matth. 4 : 5). Daarom predikte de Christus reeds van stonde aan bij zijn optreden dat zijn koninkrijk niet een aardsch maar een hemelsch koninkrijk was, en sprak Hij altoos van het koninkrijk der hemelen, op welke prediking reeds Johannes de Dooper had voorbereid (Matth. 3 : 2; 4 : 17). Maar dat koninkrijk kwam niet met uitwendig ge¬

laat, niet met zichtbaren glans en praal, men zou niet als voor aardsche koningen roepen: zie hier of zie daar, want het is binnen in ons (Luc. 17 : 20, 21). Het koninkrijk Gods is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap, door den Heiligen Geest (Rom. 14 : 17). Daarom was zoo valsch de beschuldiging der Joden bij Pontius Pilatus dat Jezus Zich opwierp tot koning over het volk, en dat Pontius Pilatus Hem deswege moest dooden. Pilatus vraagt ook: Zijt gij een koning ? en de Christus antwoordt: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijn dienaren gestreden hebben, maar nu is mijn koninkrijk niet van hier (Joh. 18:36). De Christus is Koning in het rijk der genade en regeert over al zijn volk, maar Hij regeert niet met uitwendige macht, doch door zijn Woord en Geest. Zoo is Hij het Hoofd der gemeente, haar Heere die haar naar ziel en lichaam bezit, haar Vorst en Gebieder die regeert met volle souvereiniteit (Ef. 1 : 21—23), maar ook haar Koning en beschermer die haar redt uit alle gevaren des duivels, zoodat de poorten der hel haar nooit zullen overweldigen (Matth. 16:18) en die bij de verworven verlossing haar beschut en behoudt (Matth. 28 : 20). In den staat der verhooging is daarbij gekomen als Middelaarsloon voor het volbrachte werk, het zitten aan Gods rechterhand, en daarmede is dien Koning in het rijk der hemelen alle macht gegeven in hemel en op aarde (Matth. 28 : 15), nu regeert Hij van uit zijn hemeltroon niet alleen zijn Kerk maar heel de wereld en leidt haar historie naar het goddelijk einddoel. Hij is de Koning der koningen en de Heere der heeren (Openb. 19 : 16). En daarom zal zijn koninkrijk, dat nu onzichtbaar en inwendig is en zijn rijkdom in geestelijke goederen heeft, ook worden in het rijk der heerlijkheid een zichtbaar en heerlijk koninkrijk, waarin de onderdanen, met een verheerlijkt lichaam gelijkvormig aan het verheerlijkt lichaam van Christus, wonen zullen in het Jeruzalem, waar de straten van goud en de poorten van parelen zijn, op een nieuwe aarde die vol zal zijn van de kennisse des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.

Maar omdat er dan geen schuld en geen zonde meer is, en er alleen volkomen heiligheid gevonden wordt in zalige heerlijkheid, legt Hij de bediening van het genadeverbond neder, is niet meer de Heilsmiddelaar, want als eens alle dingen Hem onderworpen zullen zijn, dan zal de Zoon zelf den Vader onderworpen worden en Hem het koninkrijk weer overgeven, en God Zelf zal alles in allen zijn (1 Cor. 15 : 24—25).

Men heeft wel eens gezegd dat de Christus tijdens zijn omwandeling op aarde Zich als profeet openbaarde, in zijn lijden, voornamelijk in het bange lijden aan het einde zijns levens als hoogepriester, en na zijn opstanding uit de dooden en hemelvaart als de machtige koning. Daar ligt een element van waarheid in als men zegt dat de bijzondere bediening van een der ambten daarin meer tot uiting kwam, maar toch moet bedacht worden dat deze ambten in den Christus niet gescheiden zijn, alleen onderscheiden, dat Hij niet nu eens öf profeet öf priester