is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COLIUS -

het Fransche hof genoten, deed haar aanzien ook hier te lande rijzen. Haar inkomsten in Frankrijk begonnen nu milder te vloeien, waardoor zij haar hofhouding vorstelijk kon inrichten. Haar zoon, Frederik Hendrik, groeide onder Maurits' leiding voorspoedig op. Al haar stiefdochters deden uitnemende huwelijken. In 1600 werd door haar onvermoeiden ijver de naam van haar zoo beminden vader in Frankrijk openlijk gerehabiliteerd.

De heillooze partij-twisten wierpen echter weer .een donkere schaduw op haar levenspad. In hart en nieren feitelijk een Fransche gebleven (ook al begon zij zich langzamerhand aan haar nieuwe vaderland te gewennen), steunde zij krachtig de Fransen-gezinde politiek van Oldenbarnevelt. De hofprediker Wtenbogaert werd haar vaderlijke vriend. Maar zij, de vreemdelinge, vergiste zich in de kracht en de beteekenis van sommige feiten. Ook was de godsdienst haar meer een zaak van gemoed dan van verstand. Tijdens den strijd tusschen Maurits en Oldenbarnevelt, tusschen de Gommaristen en de Arminianen, vermaande zij de hoofden van beide partijen gelijkelijk tot matiging en verzoening. Toen de felle worsteling was beslist, bleef zij haar overwonnen vriendentrouw. Haar verzoek om gratie voor Oldenbarnevelt werd door Prins Maurits van de hand gewezen. Een openlijke breuk tusschen Maurits en haar werd echter door haar vermeden.

In 1620 reisde zij voor ontspanning naar Frankrijk. In November van dit jaar plotseling door een ernstige ziekte aangegrepen, overleed zij te Fontainebleau als een „ware Christin". Haar stoffelijk overschot werd in 1621 te Delft aan de zijde van haar gemaal in den grafkelder van de Nieuwe Kerk met vorstelijke statie bijgezet. Haar levensspreuk was: Ad regnum tuum veni (tot Uw rijk ben ik gekomen). Zij was een edelvrouwe met een fijnbeschaafde en gevoelige natuur. [18.

Cöllns (Michael), geboren 1492 inDobeln m Saksen. In 1522 trad hij tot de Reformatie toe. Daarop werd hij predikant in Bohemen, maar de Roomsch-Catholieken verjoegen hem. Later werd hij hofprediker van den graaf van Mansfeld. Hij stierf in 1559. Cölius was zeer met Luther bevriend. Hij stond aan Luthers sterfbed en behoorde onder zijn lijkpredikers. [Hij was een goed predikant en was ook op wetenschappelijk gebied werkzaam, om de zaak en de leer der Evangelischen te verdedigen. Zijne geschriften (Uitlegging der Psalmen, Predikatiën en Strijdschriften) werden in 1565 door Spangenberg uitgegeven. [ 24.

Collatierecht of Patronaatsrecht, was het recht van den z.g. patroon of kerkstichter en zijn opvolgers in rechten, om den pastoor, later den predikant, te beroepen, althans ter beroeping voor te dragen. Oudtijds kwam het hier te lande herhaaldelijk voor, dat kerkbouw uitging van een groot-grondbezitter. En lang niet altijd werd deze daarbij door geestelijke motieven geleid. Wilde hij zijn gronden op winstgevende wijze jexploiteeren, dan moest er naar gestreefd, deze bevolkt te krijgen, en dit doel kon in vele gevallen slechts bereikt worden door het bouwen

COLLECTE 479

van een kerk, in aanmerking genomen den verren afstand van de parochie-kerk, waaronder die gronden tot dusver ressorteerden. Bevolkingsaanwas en daarmeê gepaard gaande betere cultuur deed vanzelf de waarde der gronden stijgen. De eigenaar trok de tienden van de landerijen der nieuwe parochie, die hij echter besteden moest voor het onderhoud van den kerkedienst (dotatie). Kerkstichting en dotatie gaven hem dan het recht van collatie. Soms ging de kerkstichting uit van de gezamenlijke bewoners eener buurtschap, en dan was het collatie-recht in handen van vele kerkstichters. Zoo waren in Friesland, Groningen, Drente en Overijsel de stemmen in de collatie vaak verbonden aan bepaalde huizen, boerderijen enz. De boerderijen op het Kampereiland b.v. behooren aan de stad Kampen, en nog in het laatst der vorige eeuw werd de Hervormde predikant van Kampereiland benoemd door den gemeenteraad van Kampen, uit een tweetal door den kerkeraad aangeboden.

De overtuiging, dat het collatie-recht in strijd is met de geestelijke onafhankelijkheid der kerk, gelijk die in het Woord Gods wordt geleerd, en daarom behoort te vervallen, won, vooral sinds het optreden van Groen van Prinsterer, steeds meer veld. Deze, zelf ambachtsheer van Ursem, en Elout van Soeterwoude, ambachtsheer van Zoeterwoude, waren van oordeel dat afschaffing moeilijk bij maatregel van Algemeen Bestuur zou kunnen geschieden, en deden daarom in 1850 vrijwillig afstand ervan. Aan den koning zonden zij bericht, dat zij bij notariëele acte ondershands afstand hadden gedaan „van alle praerogativen van collatie of andere rechten in kerkelijke beroepingen tot nu toe toegekend of toekomende, en zulks in de innige overtuiging dat die praerogativen strijdig zijn met de regten der gemeenten en de heilige pligten jegens het gezegende Hoofd der Gemeente Jezus Christus, onzen grooten God en Zaligmaker"..

Intusschen bleef het collatierecht voortbestaan. Het voorbeeld van Groen en Elout vond wel af en toe, maar niet algemeen navolging. Bij de Grondwetswijziging van 1922 kwam er echter een einde aan. Het 3de der Additioneele Artikelen luidt: „De heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare of kerkelijke betrekkingen zijn afgeschaft". [ 20.

Collecte. Het woord collecte is afgeleid van het latijnsche werkwoord colligere (verzamelen) en duidt in de gewone beteekenis aan het inzamelen der liefdegaven en ook wel het ingezamelde geld.

Het is van de dagen der apostelen af gewoonte geweest liefdegaven te verzamelen door een collecte. Toen de gemeente in Judea door hongersnood gedrukt werd (Hand. 11 : 28—30), heeft Paulus, om in haar nooddruft te voorzien, een collecte georganiseerd (1 Cor. 16 : 1; 2 Cor. 8:6; Rom. 15 : 26). Hij verzocht daartoe dat ieder lid der gemeente op eiken eersten dag der week een zeker bedrag daarvoor zou afzonderen. Tevens was het gewoonte in de oude kerk om bij de liefdesmaaltijden, en ook later toen de liefdesmaaltijden bij het avondmaal niet meer gehouden werden, voor hetgeen voor de avondmaalsviering noodig was, een liefdegave