is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DANS

549

men drie soorten van dankoffers onderscheiden:

loioner, geiorte-otter en vrijwillig offer. De beide

i^aic uucis Kumcn in veie punten met elkander overeen, waarin zij onderscheiden zijn van het lofoffer.

Het lofoffer is het dankoffer in eigenlijken zin. Het werd gebracht uit dank voor de genoten hulpe en weldaden van God, in het besef van eigen onwaarde en van onverdienden zegen.

Het gelofte-offer werd gebracht uit dank voor de verhooring en inwilliging van het gebed, aangedrongen door een gelofte door den bidder gedaan. Dit offer is wel wezenlijk een dankoffer maar hierin daarvan onderscheiden dat het niet I meer een vrijwillig offer is. Het lofoffer staat hooger dan het gelofte-offer.

Het vrijwillig offer is evenwel dat dankoffer, dat onmiddellijk gepaard ging met het gebed, en dat wel tot versterking daarvan. Zij heeten, in tegenstelling met de gelofte-offers, die, de gelofte eenmaal gedaan, moesten worden gebracht vrijwillige offers. Zulke offers zullen wel bedoeld zijn in Richt. 20 : 26, 21 : 4, 1 Sam. 13 : 9, 2 Sam. 24 : 25, zonder dat daar met evenveel woorden sprake is van vrijwillige offers.

Bij het dankoffer mocht men manlijke en vrouwelijke dieren offeren, ja bij het vrijwillig offer zelfs onvolkomen dieren.

Het bloed van het dankoffer werd op het altaar gesprengd waarop de vetstukken verbrand werden, alleen het vet aan de borst en het borststuk zelf, alsook de rechterschouder viel als beweegoffer den priester ten deel (Lev. 7:30,32). De rest mocht de offeraar voor zich en den zijnen ten vroolijken maaltijd gebruiken, alleen m reinen toestand en op den dag der offerande en niet, opdat het niet verontreinigd werd, eerst op den volgenden dag, „en voor het aangezicht des Heeren uws Gods, en in de plaats, die de Heere uw God verkiezen zal" (Deut. 12:17 18Lev. 7 : 15).

Vooral hii het rlantnffor !q on,oi.o .. .

bewegen van deelen van dat offer, die gelegd werden op de handen van den offeraar, waaronder de priester de zijnen stak om de offerstukken dan voor- en achterwaarts te bewegen, t Kan ook dat bij het persoonlijk offer de priester alleen de stukken die hem ten deel vielen op zijn eigen handen bewoog, naar de zooeven genoemde wijze (Ex. 29:24; Lev. 8:27) De stukken werden bewogen in de richting van de deur van het heiligdom naar binnen om daarmede te kennen te geven dat deze offergaven den Heere toekwamen, dat deze ze echter wederom den priesters, zijnen dienstknechten, ten maaltijd schonk. Zij ontvingen deze gaven dan ook niet van de offeraars maar van den Heere, wien ze geboden waren.

Ten slotte wordt alles wat men van het zijne offerde tot den dienst van God en de instandhouding daarvan een hefoffer genoemd (Ezra 8 : 28; Ex. 29 : 28).

De beteekenis van den offermaaltijd is schoon. Eigenlijk eten zij die er aan deelnemen aan den disch des Heeren en daaróm kon zulk een gemeenschappelijke vriendenmaaltijd in blijde stemming genoten, ook het beeld zijn van de zaligheid in het hemelrijk (Ps. 23 : 5; Matth. 8:11 •

Openb. 19 : 9). Bij deze offermaaltijden in het heiligdom moest eene vroolijke stemming heerschen (Deut. 12 : 12). [ 8.

Dans, dansen, van het oud-Duitsche woord dlnsen, trekken, een trekkende rei. De talen der Oostersche volkeren, vooral die van den Semitischen stam, onderscheiden zich van andere talen hierin, dat zij bijzonder er zich toe leenen om aan een levendig opgewekt gevoel een levendige uitdrukking te geven. Met deze levendigheid en aanschouwelijkheid der spraak gaat gepaard een even levendige en beteekenisvolle gesticulatie ook in het gewone leven. Uit zich nu, wat innerlijk gevoeld wordt, in een vorm, die zich van de spreekwijze in het dagelijksche leven, door welluidende klanken en bevallige bewegingen in een dichterlijk spreekwijze onderscheidt; wordt deze levendigheid nog verhoogd door gezang en begeleidende muziek; dan wordt onwillekeurig

Egyptische danseressen.

ook de gebarentaal, die op zich zelve reeds

•cïcuuig cn voi uirarUKKing is, nog levendigermaar ook anderdeels, daar zij een rhytmische' taal begeleidt, zelfs meer gebonden en onderwerpt zich zonder dwang aan de regelen van maat en bevallige beweging. Dansen is bij de Oosterlingen, althans oorspronkelijk, niets anders dan een levendig spel der gebaren, die de blijde ervaringen des harten in een schoonen vorm uitdrukken, welke uitdrukking met woorden en tonen, d. i. met gezang en muziek ondersteund en begeleid, en door dezen geregeld wordtsichak, algemeene uitdrukking voor het met gezang en muziek verbonden dansen, hetzij van een enkele, of van een rei (Richt. 16:25; 1 Sam. 18 : 7; 2 Sam. 6 : 5, 21; 1 Kron. 14 : 8; Jer. 30 : 19; 31 : 4). Zoo was het dansen van David, J°en hij de arke des verbonds uit het huis van Obed Edom met vreugde haalde (1 Kron. 16:16), een huppelen en springen (rakad, kirkar) in geestelijke vreugde op de maat der muziek, welke diende om de psalmen, die gezongen werden, te begeleiden (Ps. 24, 33, 47, 68, 132; 1 Kron. 17 : 18 w.); waaruit wij kunnen zien, wat Davids hart zoo met vreugde vervulde, dat het zich in al zijn ledematen uitdrukte, en hetwelk van