is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

566

DAVID

eener beslissing des Heeren wil tracht te leeren kennen (23 : 2 v.v.; 10 v.v.).

De donkerste bladzijde van deze periode is Davids overgang naar Achis van Qath, als wiens vazal hij in Ziklag ten Zuid-Oosten van Gaza wonen gaat. Ten gevolge van dezen in een odgenblhVvan religieuse inzinking gedanenstap komt hij tusschen twee vuren. Eenerzijds zijn Verplichting tegenover zijn leenheer en anderzijds zijn begeeren om tot geen prijs verrader van zijn eigen volk te worden. Gevolg hiervan is een dubbelhartig spel. Achis brengt hij in den waan, dat zijn van Ziklag uit ondernomen rooftochten tegen Juda en zijn stamverwanten zijn gericht-Hij wil hem doen gelooven, dat hrj alle banden met het verleden heeft doorgesneden. In werkelijkheid echter bestrijdt hij de Amalekieten en andere in het Zuiderland rondzwervende stammen, van wie de Judeërs zöoveel last hadden. Gevolg hiervan is, dat hij gedwongen is op meedoogenlooze wijze allen, zelfs vrouwen en kinderen om het leven te brengen. Hoezeer '■dit spel hem gelukte, bewijst het feit, dat Achis hem de bescherming van zijn eigen persoon ^toevertrouwt, wanneer de Filistijnen den beslissenden slag tegen Saul gaan beproeven en de vlakte van Jizreël binnenrukken (28 : 1—4). Maar juist daardoor wordt Davids toestand wanhopig. Nu moet hij öf tegen zijn eigen volksgenooten — de slagorden des levenden Godsl (17 : 26) — strijden in de gelederen der „onbesneden Filistijnen" öf zijn eed van trouw tegenover zijn .leenheer bleken. Maar het — zeker gerechtvaardigde — wantrouwen der overige vorsten bespaart—hem de keuze. Zij dwingen Achis David en zijn bende terug te zenden (29). Maar Ziklag vindt hij geplunderd en verbrand. Zijn eigen gruweldaden worden aan hem en de zijnen bezocht 1 Nu raakt Davids eigen leven in gevaar, wanneer zijn mannen hem niet ten onrechte het droeve lot der hunnen verwijten. Maar „David sterkt zich in den Heere, zijn God". Straks overvalt en vernietigt hfj zijn vijand en keert met rijken buit terug, waarvan een deel dienen moet om de bevriende oudsten van Juda aan Daviden de zijnen te herinneren (30).

Sauls tragisch einde op Gilboa is het begin van Davids opkomst. Dankbaarheid en eigenbelang dringen de Judeërs aan denfjiaar Hebron, den hoofdzetel der door zijn huwelijk met Abigaïl verwante Kalebieten^jteruggekeerden David, die blijkens 1 Kron. lï-'steeds meer steun had gevonden bij verschillende ^kringen uit de andere stammen, het koningschap over Juda aan te bieden (2 Sam. 2 : 1—4). Maar met zulk een stamvorstendom kan David zich niet tevreden stellen. Dit bewijst zijn boodschap aan de Jabesieten, die een verzoek tot aansluiting inhoudt (2 : 4—7). Ook tracht hij door het sluiten van huwelijken zijn relaties te vermeerderen en zijn aanzien te vergrooten (3 : 2—5).

In Hebron ziet hij zich voor een allermoeilijkst vraagstuk gesteld: zijn verhouding tot Isbóset, wien Abner een Overjordaansch rijkje had gesticht (2 : 8—11). David draagt er zorg voor hem niet aan te vailen. Dat met tweeledig doel: hij wil het odium van den broederkrijg niet op zich laden en daardoor mogelijke "sympathieën

van de Noordelijke stammen verspelen, en ook wil hij door een gewapend optreden den argwaan der Filistijnen niet wekken. Maar weldra gaat f Abner tot den aanval over. Hij wordt echter bij I Gibeon verslagen en heeft het alleen aan Benjamins steun en Joabs toegevendheid te danken, ' dat hij naar Mahanaïm kan ontkomen (2:12—32). Sindsdien woedt de burgerkrijg, waarbij het voordeel aan Davids zijde is (3:1). Oneenigheid I tusschen Abner en Isboset doet het overige. I Abner wil met David onderhandelen. Maar deze weigert door Abner tot erfgenaam van Saul verklaard te worden. Michal moet weer in zijn ;' huis terugkeeren. Dan kan David als haar gemaal op Sauls erfenis aanspraak maken (3:13). Eerst nu knoopt hij onderhandelingen met Abner aan, die echter door Joab wordt vermoord (3:27). Daarmede zinkt Isbósets rijkje ineen en straks wordt ook Isbóset vermoord, maar nog in zijn dood door David gewroken (4). Maar zelfs nu steekt David de hand niet uit naar Israëls konings- j kroon. Eerst wanneer officieele deputaties (vgl. de lijst in 1 Kron. 12 : 23 v.v.) hem die op eigen initiatief aanbieden, zet David die op grond van een plechtig verdrag op zijn hoofd (5 : 1-3).

Als koning van het vereenigde rijk stond David voor een geweldige taak. Allereerst moest de oppermacht der Filistijnen in Westjordaanland worden gebroken en Israëls meerderheid J over de omwonende stammen in het licht worden gesteld. Voorts moesten de stammen, die sinds Jozua's dood slechts in zeer los verband tot elkander hadden gestaan en dikwijls zich om elkanders lot weinig of in het geheel nietbadden bekommerd, tot eenheid worden samengesmeed. En eindelijk moest het religieus-cultische leven, dat in den wirwar der tijden ernstig gedaald was, tot nieuwe kracht worden herboren en door grondige hervorming het uiteengevallen priester- J] schap weer zijn door God gewilde plaats in het volksleven gaan innemen.

Daartoe moest vóór alle dingen aan het nieuwe rijk een hoofdstad worden gegeven, die geen oude gevoelens wakker riep. Welke stad was daarvoor meer geschikt dan Jeruzalem, gelegen jj aan de groote karavaanwegen van Noord naar ! Zuid en van Oost naar West, vlak tusschen het stamgebied van Benjamin en Juda en van nature .een der sterkste punten des lands. Haar aan de Jebusieten ontrukt te hebben en daardoor iedere hinderpaal voor het vrije samenleven van Juda met de Noordelijke stammen, uit den weg geruimd te hebben, is Davids geniaalste greep geweest. Te meer nu hij de Jebusburcht tot zfjn | koningszetel maakte, waar staks de Feniciërs hem een paleis bouwden en zijn trouwe garde Krethi en Plëthi zijn gezag de noodige 4aacht 1 bijzetten (5 i 6 v.v.). Dat de Filistijnen dit zonder meer zouden laten gaan, zal David zelf niet hebben verwacht. Ze verzamelen zich in het Refaïetendal ten Zuid-Westen van Jeruzalem, maar worden met Gods hulp verslagen, waarbij zelfs hunne goden den overwinnaar in handen vallen, zoodat de smaad van den ongelukkigen slag bij Afek (1 Sam. 4:11) kan worden uitgewischt.

Voorts moest aan Israël duidelijk worden ge-