is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERBE — DERTIGJARIGE OORLOG

581

voor de eigen zaken en aangelegenheden, binnen het ressort der Classe of der Synode benoemd worden; 2°. die tot het behandelen van zaken en aangelegenheden gezonden worden naar andere Classen of Synoden, waar hun dan een adviseerende stem wordt toegestaan; aan welke bepaaldelijk de naam van correspondenten gegeven wordt", Pol. Eccl. III : 527.

In de Kerkenordening der Gereformeerde kerken worden tweeërlei deputaten genoemd, n.1. in artikel 44 de kerkvisitatoren, en in artikel 49 de eigenlijke deputaten der Classen en der particuliere en generale Synoden, die hier bedoeld zijn. Hun taak is volgens artikel 49 K. O.: 1°. De uitvoering der Synodale besluiten n.1. „om alles wat de Synode geordineerd heeft te verrichten". 2°. Het bijstaan der Classen in voorvallende zwarigheden: „en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden", d. i. deze bij te staan. 3°. Het bijwonen van alle peremptoire examens: „en om, althans ten getale van twee of drie, voor alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan", d. i. daarbij tegenwoordig te zijn, waarbij zij dan geen beslissende, maar slechts een adviseerende stem hebben. 4°. De verantwoording van hun werkzaamheden: „En alle deze Deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geeischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat".

Hieruit blijkt duidelijk, dat zij geen bestuursmacht over de kerken hebben, maar slechts hare lasthebbers zijn. Zelfs in spoedeischende gevallen, die niet wachten kunnen tot de volgende Synode, mogen zij niet eigenmachtig handelen. Alleen in concrete, wei-omschreven gevallen mogen zij met synodale autoriteit optreden, maar dan alleen in opdracht der Synode. Zij zijn aan hun last gebonden totdat de Synode hen er van ontslaat en mogen dus ook niemand in hun plaats aanstellen. Van al hun handelingen blijven zij aan de Synode verantwoording schuldig. [ 11.

Derbe, een stad in Lykaonië, niet ver van het Isaurisch gebergte, ongeveer twee dagreizen van Lystra, was omstreeks 50 v. Chr. de woonplaats van den met Cicero bevrienden koning Antipater. Deze werd in 36 v. Chr. gedood door den Galatischen vorst Amyntas, die Derbe annexeerde. Na den dood van Amyntas, 25 v. Chr., kwam de stad onder de macht van Rome. Keizer Claudius (41—54) maakte er in 41 een Romeinsche kolonie van, onder den naam Claudio-Derbe. Te Derbe werd omstreeks 48 n. Chr. een gemeente gesticht door Paulus op zijn eerste reis (Hand. 14 : 6, 20); ook op zijn tweede reis bezocht hij de stad (Hand. 16 : 1). Uit Derbe was Gaius, één van Paulus' reisgezellen (Hand. 20 : 4) afkomstig. [ 27.

Dei-mout (Isaac Johannes), geboren 31 Januari 1777 te Hoorn, waar zijn vader predikant was; gestorven 22 October 1867 te 's-Gravenhage. Hij studeerde te Amsterdam en te Utrecht, en stond als predikant der Nederlandsch Hervormde Kerk achtereenvolgens te Zeist, Amersfoort, Zutfen en 's-Gravenhage. Hier was hij van

1805 tot zijn emeritaat in 1818 werkzaam, en beleefde hij dus de verschillende regeeringsveranderingen van het begin der negentiende eeuw. Op 5 December 1813 hield hij in de Kloosterkerk een leerrede „ter gelegenheid van de verlossing des vaderlands". Spoedig daarna werd hij door den koning aangezocht om permanent secretaris der Synode te worden, welke betrekking hij ongeveer 30 jaren vervuld heeft. In die functie bestreed hij de Afgescheidenen en de „Zeven Haagsche Heeren". In 1817 bedankte hij voor een benoeming als hoogleeraar te Amsterdam; in dat jaar werd hij evenwel tot buitengewoon hofprediker, en na Kriegers dood in 1822, in diens plaats tot hofprediker aangesteld. Als kanselredenaar had hij in zijn tijd grooten naam. Van der Palm noemde hem de „Napoleon van den kansel". Met den Groningschen hoogleeraar Anne Ypey gaf hij een Geschiedenis der Nederlandsch Hervormde Kerk uit. Van de commissie voor de zaken der Protestantsche kerken in Nederlandsch Oost- en West-Indië was hij tot het einde van 1848 voorzitter; van de afdeelingen van Bijbel- en Zendelinggenootschap een gewaardeerd bestuurder. Zijn verdiensten als redenaar en stylist vonden erkenning in zijn benoeming als lid van de Maatschappij der NederlandscheaLetterkunde te Leiden. Voorts was hij lid v n het Zeeuwsche Genootschap, van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, van het Bataviaansche Genootschap van Wetenschappen, en correspondeerend lid van het Haagsch Genootschap tot verdediging van den Christelijken godsdienst. Hij was een vertegenwoordiger van het rationeel-supranaturalisme. De jeugdige Groen van Prinsterer ontving van hem catechetisch onderwijs. [ 30.

Dertigjarige oorlog. In het jaar 1609 had keizer Rudolf het bestaan en de vrijheid van het Protestantisme in Bohemen gewaarborgd door den z.g.n. Majesteitsbrief. Bohemen was tijdens Rudolf voor %o Protestantsch. Matthias (1612—1619) verbrak de gedane belofte, daar hij bevel gaf, den bouw eener Protestantsche kerk te staken. De Bohemers, hierover verontwaardigd, riepen den keizer tot verantwoording en wierpen twee keizerlijke raadslieden uit het venster. Zij verkozen nu Frederik V van den Pfalz tot koning (1619) en verjaagden de Jezuïeten. Hiermede begon de dertigjarige oorlog. Ferdinand II verscheurde den majesteitsbrief, overwon in den strijd de Protestanten met zijn beroemde veldheeren Tilly en Wallenstein en verjoeg alle protestantsche predikers. De paus stookte het twistvuur aan en het Protestantisme werd met geheelen ondergang bedreigd. De keizer verklaarde liever over een woestijn dan over een protestantsch land te willen regeeren. Toen kwam Christiaan IV van Denemarken zijn geloofsgenooten te hulp, maar hij werd door Tilly en Wallenstein geslagen. Nu vaardigde de keizer het Restitutie-edict uit (1620), waarbij van de Protestanten geëischt werd teruggave van alle sinds het verdrag van Passau verkregen goederen en waarbij aan de Catholieke standen vrijheid verleend werd om het Protestantisme uit te roeien. Het scheen, alsof het Protestantisme geheel zou ondergaan, maar toen