is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOJER — DÖLLINGER

611

staan bij de eerste zeven algemeene conciliën (Nicea II 787). De Luthersche kerk ontving haar laatste symbool in de Formula Concordiae van 1580, de Gereformeerde kerk in de confessie van Dordrecht 1618 en van Westminster 1647. [ 29. Do|er. Met het genot van het smakelooze : eiwit om het dojer vergelijkt Job (6:6) de armzaligheid van zijn toestand.

Dok, een vesting in het Jordaandal, niet ver ten Noorden van Jericho gelegen. Hier werd I Simon, de Joodsche vorst en hoogepriester met zijne zonen Judas en Mattathias, verraderlijk op een gastmaal door zijn schoonzoon Ptolemeus vermoord. De naam is nog overgebleven in dien van de bron Ain-Dük aan den Noordelijken voet van het gebergte Quarantania.

Doleantie. Bij de Afscheiding in 1834 waren er in de Nederlandsch Hervormde kerk een groot aantal belijders achtergebleven, die evenmin als de gescheidenen met de kerkelijke toestanden vrede konden hebben, al hadden ze ook bezwaren tegen de Afscheiding. Vanaf 1841 dagteekent hun strijd voor vrijmaking der kerken van de organisatie van 1816; eerst onder leiding van Groen van Prinsterer, daarna onder die van Dr. Kuyper. Den 11 den April 1883 werd eindelijk een conferentie belegd van afgevaardigden uit onderscheidene kerken, die op den grondslag van hartelijke instemming met de Drie Formulieren van Eenigheid als accoord van kerkgemeenschap, de afwerping van het juk der Synodale hiërarchie plichtmatig achtten voor ieder, die het koningschap van Jezus in zijn kerk wilde eeren. Nog in datzelfde jaar namen onderscheidene kerkeraden besluiten tot getrouwe naleving van de heilige verplichtingen, bij de bevestiging in het ambt aanvaard. Dit riep conflict na conflict in het leven. Te Amsterdam ontstond de Attestenkwestie, toen de kerkeraad weigerde attesten af te geven ten behoeve van moderne jongelieden, die, na elders tot lidmaat te zijn aangenomen, in het kerkelijk register te Amsterdam zouden moeten ingeschreven worden. De kerkeraad van Kootwijk, voorloopig geschorst omdat hij een candidaat der Vrije Universiteit tot herder en leeraar beroepen had, brak het eerst van alle met de synodale organisatie, onder leiding van Dr. van den Bergh te Voorthuizen, wiens gemeente even later zich het juk der organisatie van den hals schoof. Intusschen wist het Classicaal Bestuur te Amsterdam door een handige zet plotseling vóór de Attestenkwestie de Beheerskwestie te schuiven, door provisioneel te schorsen de kerkeraadsleden, die gestemd hadden voor art. 41 van het Beheersreglement, inhoudende de bepaling, dat de Commissie van Beheer, bij eventueel conflict, den oorspronkelijken kerkeraad, die de gemeente bij Gods Woord zocht te houden, als den eenig wettigen zou erkennen. Op 16 December 1886 brak eindelijk de kerkeraad van Amsterdam met het synodaal verband, terugkeerende tot de nooit wettig afgeschafte kerkenordening van 1618/19 en als aloude Gereformeerde kerk trad men nu weer op onder den historischen naam van: Nederduitsche Gereformeerde Kerk, met de bijvoeging „doleerende", d.w.z. „klagende", als protest tegen het haar onthouden van haar wettig

kerkegoed. — Het Gereformeerd kerkelijk Congres, 11 Januari 1887 en volgende dagen te Amsterdam gehouden, deed vele kerkeraden met de organisatie breken. In juni 1887 werd te Rotterdam een synodaal Convent van al de ontkomen kerken samengeroepen. Het volgende jaar, toen de processen beëindigd waren, besloot de voorloopige synode te Utrecht de toevoeging „doleerend" achter den naam der kerken te schrappen, om den indruk weg te nemen, alsof het woord een nieuwe stichting aanduidde. Ook viel daarmee een beletsel weg voor de hereeniging met de kerken uit de Afscheiding. Deze hereeniging kwam in 1892 tot stand. Zie verder: De Doleantie, door J. C. Rullmann, Ons Arsenaal, Serie V, no 1—2. [ 30.

Döllinger (Johann Joseph Ignatius), oud-Catholiek theoloog en historicus. Hij werd in 1799 geboren in Bamberg, werd op 24-jarigen leeftijd reeds professor aan het seminarium te Aschaffenburg en in 1826 hoogleeraar in de kerkgeschiedenis en het kerkrecht in München. Hij was eerst streng Catholiek. Daarvan legden getuigenis af zijn eerste geschriften: Die Lehre der Eucharistie (1826), Handbuch der neueren Kirchengeschtchte (1828), Geschichte der Christlichen Klrche (1833, '35), Lehrbuch der Kirchengeschichte (1836). In 1845 trad hij in de Kamer op als afgevaardigde van de universiteit en verdedigde daar met groot redenaarstalent het streven der Ultramontanen en de Roomsche hiërarchie. Tot dank daarvoor ontving hij een benoeming als Proost van „HochstiftSt. Cajetanus". Tusschen 1846—'48 verscheen van zijn hand een boek Die Reformation, ihre tnnere Entwtcklung und Ihre Wirkungen, waardoor hij groote vijandschap tegen het Protestantisme opwekte. Toen het ministerie Abel viel, verloor Döllinger zijn " professoraat en zijn kamerzetel voor 3 jaren.

In 1849 begon een tweede periode in zijn leven. In deze periode was hij veel milder gestemd tegenover de Reformatie en maakte bij zich langzamerhand los van het Ultramontanisme. Niet weinig droeg daartoe bij een door hem ondernomen reis naar Rome 1857. Voor het uitwendige bleef hij getrouw zoon der kerk maar voor zichzelven had er een groote omkeer plaats gehad in zijne beschouwingen. Daarvan getuigden al spoedig eenige nieuwe geschriften. In 1861 gaf hij, nadat door hem voordrachten gehouden waren over de wereldlijke macht van den paus, een boek uit getiteld Klrche und Kirchen, Papstthum und Klrchenstaat. Na de verschijning van dit boek werden de Jezuïeten zijn verklaarde vijanden. Döllinger ging op den ingeslagen weg voort. Hij schreef in 1865 Papstfabeln des Mittelalters.

Na al deze woorden kwam het eindelijk tot daden. Van het Vaticaansche concilie 1870 dagteekent zijn derde periode. Reeds voordat het beruchte Vaticaansche concilie gehouden zou worden, had Döllinger ernstig gewaarschuwd, dat men toch den paus niet onfeilbaar zou achten. Ondanks alle waarschuwing werd de paus onfeilbaar verklaard. Döllinger bleef zich tegen dit decreet verzetten. Hij werd deswege met schorsing bedreigd, maar hij week niet. Hij bood aan voor een vergadering van bisschoppen en theo-