is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOMPER - DONATUS EN HET DONATISME

615

domheeren moest de priesterwijding bezitten, een deel moest wetenschappelijk gevormd zijn. Door de revolutie in 1789 werden de kapittels opgeheven. Daarna werden zij weder opgericht, maar zij veranderden van karakter. Het zijn tegenwoordig kerkelijke corporatiën zonder politieke beteekenis. Ze hebben volkomen autonomie. Adellijke afkomst wordt van de leden niet meer geëischt, wel practische of wetenschappelijke bekwaamheden. De bisschop heeft over de opname te oordeelen, in sommige gevallen behoudt de paus zich dat recht voor. Nog altijd staat het kapittel den bisschop bij in de leiding van de diocese. [ 24.

Domper. Een instrument om de kaars uitte blusschen. Overdrachtelijk wordt zoo genoemd iemand die een vijand is van kennis en ontwikkeling, en den vooruitgang tegenhoudt. Het was vaak een scheldnaam in tijden van godsdienstige vervolgingen voor wie niet de knie bogen voor de godin der menschelijke rede. [ 28.

Domscholen. De domkapittels waren een analogie van het monnikenleven, de domscholen een navolging van de kloosterscholen. Zij stonden onder de leiding van een domscholasticus. In de eerste plaats waren zij bestemd voor hen, die zich voorbereidden voor het ambt, maar ook wereldlijke jongelingen konden worden toegelaten. Het leven was kloosterachtig ingericht. Het onderricht omvatte het trivium (grammatica, dialectica en rethorica) en het quadrivium (arithmetrie, geometrie, astronomie en muziek). Beide samen heetten de artes elibrales, d.i. vrije kunsten. Er kon ook onderricht gegeven worden in bijbelen kerkleer. De eigenlijke opkomst dezer scholen valt in den Karolingischentijd. Rabanus Maurus heeft op dit gebied bijzondere verdiensten gehad, De bloeitijd valt in den tijd der Saksische keizers en de Capetingers. Het verval van het canonische leven en het ontstaan der universiteiten hebben meegewerkt tot den ondergang dezer scholen. De arbeid van de Broeders des gemeenen levens en het Humanisme hebben dezen ondergang als het ware bezegeld. [ 24.

Donatio Constantini, een der fabelen, die men pauselijke fabelen noemt. Bisschop Sylvester I (314—335) moet volgens dezen fabel van keizer Constantijn I, nadat hij van een melaatschheid gereinigd en gedoopt was, ontvangen hebben de heerschappij over de kerk, den rang van paus, de wereldlijke heerschappij over Rome, Italië en enkele eilanden in de Middellandsche zee. De Donatio Constantini komt het eerst voor in een brief, dien paus Hadrianus aan Karei den Groote (778) schreef. iKarel de Groote had n.1. de schenkingen, aan Pepijn den Korte in 754 gedaan, in 775 bevestigd en nog meer aan den paus toegezegd. Hadrianus wilde Karei den Groote in 778 opwekken tot het vervullen van diens beloften. (Hij vergelijkt in den brief Karei met Constantijn I en deelt dan de Donatio Constantini mede, om aan te toonen allereerst, dat Constantijn veel aan de kerk gedaan had, maar in de tweede plaats, dat de paus eigenlijk geen gunst verlangde maar op een recht aanspraak had. De Donatio Constantini is ongetwijfeld een ondergeschoven stuk. Nicolaas Cusanus verklaarde haar in 1433 reeds voor valsch. Valla deed ins¬

gelijks in 1440, en bovenal de oud-Catholieke theoloog Döllinger heeft in zijn boek: Die Papstfabeln des Mittelalters in 1863 de valschheid van dit document bewezen. [ 24.

Donatns en het Donatisme. De oorsprong van het Donatisme hangt samen met de houding, die de kerk aannam tegenover de gevallenen tijdens de vervolging in Noord-Afrika in de jaren 303—305. De officiëele kerk onder leiding van bisschop Mensurius van Carthago deed al het mogelijke om de gemeenten voor een vervolging te vrijwaren, en trachtte daartoe een schikking te treffen met de vervolgers. Doch de partij der ijveraars zocht gelegenheid om zich openlijk als Christenen te verklaren, weigerden de Heilige Schriften over te geven en waren daardoor martelaars geworden. Tegenover Mensurius, die poogde alles te verhinderen wat de overheid aanleiding kon geven tot de vervolging over te gaan, trad de partij der ijveraars op met de beschuldiging, dat de bisschop de verzorging der gevangene confessoren verhinderde en dat hij het keizerlijke bevel gehoorzaamde.

Toen bisschop Mensurius in het jaar 311 stierf koos zijn partij den presbyter Caecilianus tot znn opvolger. Tot deze keuze hadden alleen de nabij Carthago zetelende bisschoppen uit Afrika Proconsularis medegewerkt. De bisschoppen van het meer Zuidelijk gelegen Numidië maakten er aanspraak op ook deel te nemen aan de bisschopskeuze in Carthago. Zij stelden door Secundus van Tigisis als beschikker over het bisdom aan: Donatus van Casae Nigrae, en deze verhief den lector Majorinus tot tegenbisschop. Een in Carthago samengekomen synode van 70 bisschoppen wilde Caecilianus niet erkennen, waarschijnlijk omdat Felix van Aptunga, die Caecilianus had gewijd als traditor (iemand die Heilige Geschriften enz. had overgeleverd) werd gelaakt. Zoo smolten de belangen van de ijveraars in Carthago en die van de Numidische bisschoppen samen. Caecilianus werd wel buiten Afrika overal erkend, maar in Afrika werd de scheuring al grooter.

De Donatisten brachten de zaak voor keizer Constantijn, die zich geroepen zag als scheidsrechter op te treden. Daartoe liet hij Caecilianus met 10 bisschoppen zijner partij en vertegenwoordigers zijner tegenstanders komen te Rome, om zich voor bisschop Melchiades te verantwoorden. Caecilianus werd (October 313) als wettig bisschop erkend en Donatus wegens herdoop van ketters en vernieuwde wijding van gevallene geestelijken veroordeeld. Omdat de Donatisten zich hierover bezwaard gevoelden, riep Constantijn een synode samen te Arles (in Zuid-Gallië). Hier werden de Donatisten weder veroordeeld en Caecilianus gehandhaafd. De herdoop door de scheurmakers werd voor kettersch verklaard, en bepaald dat zij door eenvoudige handoplegging als leden konden worden erkend. Als een traditor mocht alleen hij worden beschouwd, van wien uit de officiëele acten gebleken was, dat hij heilige schriften of avondmaalsgereedschappen had overgeleverd (Mansi, Colt. Conc. II, 471; Hefele, Conc. Gesch. I, 121), terwijl eveneens werd uitgesproken, dat de wijding door een traditor verricht wettig was. Nog waren de Donatisten niet tevreden. Zij verzochten een