is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

618

DONTEKLOCK — DOOD

Van zijn hand verschenen een populaire verklaring van de Psalmen (2 deelen), van den brief aan de Filippenzen, en de twee brieven van Petrus. [ 24.

Donteklock (Reïnïer), predikant te Delft, die met zijn collega Arnold Cornelius van der Linden in 1589 een geschrift uitgaf: Responsiones ad argumenta quaedam Bezae et Calvini; waarin de praedestinatieleer van Calvijn en Beza bestreden werd. Zij waren de voorloopers van de Arminianen. [ 24.

Dood. Wij zien dat op deze aarde aan alle natuurlijk leven een einde komt, niet alleen bij den mensch maar ook bij dier en plant. Het scheiden uit dit leven noemen we sterven, en de toestand die dan intreedt heet de dood. De wijsbegeerte heeft ten allen tijde den dood willen beschouwen als een natuurlijk levenseinde van al het geschapene, en leerde dat er niet alleen een tijd was van geboren te worden, maar ook van te sterven, als het levensproces ten einde was. Maar de Heilige Schrift leert zeer uitdrukkelijk dat de dood onnatuurlijk, niet van zelfsprekend is, maar een straf voor de zonde.

Wij lezen Gen. 2 : 17: „Van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten, want ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven". Hier wordt uitdrukkelijk geleerd dat de dood in deze wereld is ingekomen na en door de zonde en wel als straf op de zonde. De Pelagianen en alle latere Rationalisten leeren wel dat het hier betreft de straf des doods, of dat hier sprake is van een vroegen dood, zooals een vroegtijdige dood altoos als een straf beschouwd wordt, maar niet de dood als zoodanig. Maar dit zeggen houdt geen steek, want in heel de Schrift, zoo in Oud als in Nieuw Testament wordt geleerd, dat de dood door de zonde in de wereld is gekomen, en tot alle menschen is doorgegaan omdat allen gezondigd hebben (Rom. 5 : 12), dat door de misdaad van éénen velen gestorven zijn (Rom. 5:15), dat jdoor de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft (Rom. 5 : 17), en dat de dood de bezoldiging der zonde is (Rom. 6 : 23). Het is aan de wetenschap ook nooit gelukt den dood wetenschappelijk te verklaren. Zij kan de verschijnselen van den dood aanwijzen en den dood constateeren, maar niet bewijzen dat het natuurlijke in den dood eindigen moet. Wij staan voor een mysterie, want de dood is onnatuurlijk, in strijd met het wezen en de bestemming van den mensch, een straf Gods, een vijand, en bij alle volken en in alle tijden is er een vrees voor de geheimzinnige macht van den dood. De dood kan alleen verklaard worden door geestelijke factoren, door de verleiding van Satan, die het geweld des doods heeft (Hebr. 2:14), door de zonde (Rom. 5 : 12; 6 : 25) en door de rechtvaardigheid Gods.

Het wezen van den dood is niet een algeheele vernietiging van het bestaande zooals door sommigen gezegd wordt, want bij den mensch blijven in den dood èn ziel èn lichaam voortbestaan, en zelfs plant en dier blijven voortbestaan in hun dood. Alleen maar, ze bestaan in den dood op een andere wijze. Het leven wordt vernietigd, maar het bestaan duurt voort. Als

een plant of dier sterft, dan treedt de ontbinding in, maar de stof waaruit zij bestonden, en waartoe zij wederkeeren, wordt niet vernietigd, kan zelfs niet vernietigd worden. En zoo is het ook met het menschelijk lichaam, de dood brengt wel ontbinding, en maakt waar het woord Gods: „Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren", doch dit stof wordt niet vernietigd maar blijft ,

De dood staat tegenover het leven, en eerst door het leven wordt de geheimenis van den dood verstaan. Het leven is saambinding van wat naar Gods gedachte saamgebonden behoort te wezen, en de dood is ontbinding van de door God in de natuur gelegde levensbanden. In het Paradijs was Adam met zijn ziel aan God verbonden en leefde hij met God, dat was het eigenlijke leven. En zoo was er een band tusschen ziel en lichaam en een band die heel het bestaan van het lichaam in al zijn deelen saambond, dat was het natuurlijke leven. Door de zonde werd de band die zijn ziel aan God verbond doorgesneden, dat was de eigenlijke dood. En tengevolge daarvan kwam de natuurlijke dood, die ziel en lichaam scheidde en eiken band die het lichamelijk bestaan saambond losrafelde, zoodat het lijk zich ontbond tot niets dan stof. De dood is dus niet vernietiging van het bestaan, maar scheiding tusschen God en mensch, tusschen ziel en lichaam, tusschen al wat in het lichaam saamverbonden is. Leven is niet alleen bestaan, maar bestaan in Gods gemeenschap, een gedragen zijn door Gods zegen. Dood is óók bestaan, maar buiten de gemeenschap Gods, gedrukt door Gods vloek. De dood brengt geen vernietiging maar ontbinding op elk gebied waar het leven harmonisch saambond, snijdt af alle natuurlijke levensverhoudingen, verbreekt alle harmonie en brengt terug tot het chaotische, toen de aarde woest en ledig was.

Gewoonlijk onderscheidt men tusschen drieërlei dood: de tijdelijke, de geestelijke, en de eeuwige dood. De tijdelijke dood brengt het sterven in dit leven, als de ziel het lichaam verlaat, en het zielloos lijk in het graf wordt neergelegd. Deze dood heet tijdelijk omdat hij duurt tot den Dag der opstanding, op welken dag alle dooden zullen opstaan, en ziel en lichaam weer vereenigd zullen worden, om daarna geoordeeld te worden (Hebr. 9 : 27). Intusschen dient opgemerkt te worden dat niet allen den tijdelijken dood zullen ingaan. Henoch en Elia zijn zonder sterven ten hemel opgevaren, en Dathan, Korach en Abiram zijn zonder sterven ter helle nedergedaald. En zij die den Jongsten Dag beleven, zullen van den tijdelijken dood niet weten. „Ziet, ik zeg u een verborgenheid, wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden" (1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess. 4:15—17)j

De geestelijke dood is de dood der ziele, die vervreemd is van het leven Gods (Ef. 4 : 18), die dood is in de zonden en misdaden (Ef. 2 : 1; Coloss. 2 : 13; 1 Tim. 5:6; Openb. 3 : 1). Een zoodanige ziel bestaat zonder ophouden, maar het geestelijk leven is verdwenen, er is niet meer de gerechtigheid en de heiligheid, een niet kunnen zien van noch ingaan in het koninkrijk Gods (Joh. 3 : 3, 5), maar een haten van God en van den naaste. Het is uit dezen dood