is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

624

DOOP

taalonderwijs aan. De eerste zinnetjes bestaan slechts uit een onderwerp en een werkwoord, b.v. Piet komt, maar aan het einde van dit leerjaar kunnen de kinderen zich reeds uitdrukken in zinnetjes als: Ik ga in het spoor. Ik zit in het spoor op de bank. Het spoor rijdt Het staat stil. Ik ga uit het spoor. Ik baad in de zee.

Hun taalkennis wordt in de volgende leerjaren steeds uitgebreid, terwijl ten slotte alle vakken der Christelijke lagere school, zang uitgezonderd, onderwezen worden, benevens handenarbeid en vak j. Van het 4e leerjaar af wordt er menig uur aan het onderwijs in de Bijbelsche geschiedenis besteed, terwijl van het 6e leerjaar af door een der onderwijzers ook Catechetisch onderwijs wordt gegeven. Bij alles gaat men zooveel mogelijk aanschouwelijk te werk, want „was die Taubstummen nicht mit den Augen sehen, das begreifen sie schwehr."

De cursus duurt in de eigenlijke school 10 jaren. De jongens, die 14 jaar zijn, krijgen echter 's middags van een patroon vakonderwijs, indien de ouders zulks verlangen. Zij leeren in hoofdzaak voor meubelmaker, schoenmaker, kleermaker, tuinman of letterzetter. De meisjes tracht men in het Instituut zoover te brengen, dat zij zoo noodig met naaien later hun brood kunnen verdienen. [ 19.

Doop. De instelling van den doop. De doop is als sacrament ingesteld door den Heere Christus, niet lang voor zijn hemelvaart (Matth. 28 : 19). Evenwel was de doop niet iets geheel nieuws. Reeds lang te voren werden de proselieten, die uit het Heidendom overkwamen tot het Jodendom, door den doop in Israël ingelijfd. In aansluiting van dien proselietendoop trad ook Johannes op, door Qod gezonden om te prediken en te doopen (Luc. 3 : 2, 3; Joh. 1 : 33). Hij was de wegbereider van Christus, en weesnaar Christus heen, en eischte van de Joden, die tot den doop kwamen, dat zij met hun zonden moesten breken. In overeenstemming met zijn prediking was zijn doop een doop der bekeering tot vergeving der zonden. Deze uitdrukking beteekent niet, dat de doop van Johannes slechts was een voorbereiding voor den Christelijken doop, of dat hij iets anders gaf dan de Christelijke doop, zooals de Roomschen, de Socinianen, de Remonstranten, Van Oosterzee, Dr A. Kuyper e.a. leerden, maar zij wil zeggen, dat de doop in den weg van bekeering en berouw werkelijk de vergeving schonk (Calvijn, Bavinck). Bij alle gradueel verschil moet vastgehouden worden aan de wezenlijke gelijkheid van den doop van Johannes met den Christelijken doop, die volgens Hand. 2 : 38 is een doop tot vergeving der zonden. Uit Matth. 3:11, Mare. 1:8, Luc. 3:16, waar Johannes zegt, dat hij doopt met water, maar dat hij, die na hem komt, zal doopen mei den Heiligen Geest, is wel eens afgeleid, dat de doop van Johannes en de Christelijke doop tegenover elkander stonden als water- en vuurdoop, maar uit Hand. 1 : 5 blijkt duidelijk, dat Johannes met den doop van Christus niet bedoelde den doopritus, maar de uitstorting des Heiligen Geestes. De Christelijke doop is, evenals die van Johannes, ook een doop met water,

beteekenend de vergeving der zonden, maar beide zijn onderscheiden van den Geestesdoop, die op het Pinksterfeestplaats vond. Ook wordt tegenover de gelijkheid van den doop van Johannes en dien van Christus wel aangevoerd, dat Paulus te Efeze discipelen aantrof, die wel gedoopt] waren met den doop van Johannes, maar die niet gehoord hadden „of daar een Heilige Geest; is", (Hand. 19 : 2), en die daarna, door Paulus beter onderwezen, gedoopt werden in den naam van Jezus, en na handoplegging den Heiligen Geest ontvingen. De discipelen waren niet onbekend met den Heiligen Geest, maar zij wisten] niet of de prediking van Johannes, dat de Heilige Geest komen zou, reeds vervuld was, of de Heilige Geest er toen al was. En nu werden zij gedoopt, niet omdat de doop van Johannes niet goed was, maar omdat zij niet tot Jezus waren overgegaan en een verkeerde voorstelling hadden van Christus, en ook van den doop van Johannes.

In aansluiting met Johannes den Dooper trad] ook Jezus op met de prediking van geloof en bekeering als noodzakelijke voorwaarde voor; den ingang in het koninkrijk der hemelen (Mare. 1 : 15), en liet door zijn discipelen den doop] bedienen aan hen, die in den kring zijner discipelen werden opgenomen, terwijl hij vóór zijn hemelvaart, toen hij aan zijn discipelen de opdracht gaf alle volken te onderwijzen en hen tot zijn discipelen te maken, den doop als een] blijvende en duurzame instelling voor zijn gemeente verordende (Matth. 28:19). Deze laatste] plaats is door velen, o.a. Conybaere, als onecht] beschouwd, omdat in den apostolischen tijd de doop nog bediend werd in den naam van Jezus, en de trinitarische formule eerst later is ontstaan (Feine, Theol. d. N. T.3 S' 189). Maar terechtjl door Riggenbach (Der Trin. Taufbefehl, Matth. 28 : 19) aangetoond dat de getuigenissen voor] de trinitarische doopsformule reeds in het begin van de tweede eeuw aanwezig zijn. En omdat Christus zelf den doop liet bedienen, en omdat van den Pinksterdag af de doop bediend werd] als een inlijving in de gemeente, kan er geen] rechtmatige grond tegen de echtheid van Matth. 28 : 19 worden aangevoerd. Het gevoelen van' Feine (Art. Taufe, R. E.8) alsof uit 1 Cor. 1:14—17 zou blijken, dat Paulus Matth. 28 : 19 niet zou gekend hebben, klemt niet, omdat Paulus in deze woorden niet den doop gering acht (zooals trouwens wel anders blijkt uit Rom. 6 : 3—5,1 1 Cor. 12 : 13 en Gal. 3 : 27), doch zegt dat niet het doopen zijn eigenlijk werk is, maar del verkondiging van het Evangelie. Hij mag wel doopen, maar hij liet het doopen en den verderen arbeid tot opbouw der gemeente aan zijn medearbeiders over.

In de gemeenten, aan wie Paulus schreef, geJ schiedde de doop, evenals in de eerste Christengemeente in den naam van Christus (1 Cor. 1 : 12—16). De doop veronderstelt dus het geloof, en verplicht tot de aanhoorigheid aan Christus (1 Cor. 1 : 12). De doop werd bediend in den]

naam (èv Of èni r<j> ovófiatt of eis to óvofta) van

Christus. De beide eerste uitdrukkingen duiden; aan dat iets bij, onder het noemen of onder aanroeping van den naam geschiedt, terwijl ek m