is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

630

DOOP

van de gemeente des Ouden Verbonds. Zij is in de plaats getreden van het Oude Testament. Israël is het volk Oods (Gal. 3 : 14—29; Ef. 2 : 12, 13; 1 Petr. 2 : 9). Onder het volk Gods zijn ook de kinderen der geloovigen begrepen. Daarom zijn zij ook geen heidenkinderen, die zooals Rome en de Lutherschen leerden, nog eerst' moeten geëxorciseerd worden, maar kinderen des verbonds, die heilig zijn niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond (Leerregels", 17). Daarom worden ook de kinderen gerekend tot de gemeente, zij ontvangen vermaningen en beloften (Hand. 26 : 22; Ef. 6 : 1; Col. 3 : 20). Ook de kleinen kennen den Heere (Hebr. 8:11).

De Heilige Schrift rekent dus de kinderen evengoed als de volwassenen tot het volk Gods. En zou men meenen dat men bij de volwassenen meer zekerheid heeft dat zij geloovigen zijn dan bij de kinderen, dan vergist men zich wel zeer. Volstrekte zekerheid omtrent het geloof van een ander hebben wij nooit. Wij kunnen niet oordeelen over het hart en moeten oordeelen naar de kenmerken des geloofs. Rekenen wij nu naar het oordeel der liefde de volwassenen, die Christus als hun Zaligmaker belijden, voor geloovigen en laten wij hen toe tot de sacramenten, wij rekenen ook de kinderen der geloovigen tot de gemeente der geloovigen, omdat God zelf hen rekent tot de zijnen. Als God zegt: „Ik ben uw God", dan is dit ook zoo, en als God zegt: „Ik ben uws zaads God", dan mag geen enkel Christen een ander oordeel uitspreken. Wij moeten daarom naar den aard der liefde, uit kracht van Gods verbond, de kinderen der geloovigen voor des Heeren eigendom rekenen, tenzij deze later in zonde afzwerven en in hunne zonden sterven. Het komt hier volstrekt niet aan op het subjectieve oordeel van dezen of genen dienaar, of hij van de oprechtheid van iemands geloof overtuigd is, maar het komt aan op wat God zegt in zijn Woord. En nu blijkt het later dat er onder de kinderen des verbonds zijn, die niet wandelen naar den regel des verbonds, maar dan wordt ook aan dezulken het Woord Gods vervuld, dat niet alles Israël is wat Israël heet, dat er kaf is onder het koren, maar het is ons niet gegeven het kaf van het koren te scheiden, vóórdat God het ons laat zien uit de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente, dat zij niet behooren tot het volk Gods.

Nu zijn er echter twee lijnen, de lijn door God getrokken, binnen welke alleen de gekenden des0Heeren, en de lijn door God uitgestippeld voor ons, welken wij kortzichtige menschen ook in de practijk moeten trekken en binnen welke de geloovige geslachten vallen. De eerste lijn is voor ons verborgen, de laatste is ons geopenbaard. Het getal dergenen, die wij rekenen tot het verbond is niet identisch met het getal der uitverkorenen. Wij kennen de bondgenooten alleen uit hun belijdenis en wandel. Wij moeten oordeelen naar den maatstaf, dien God ons geeft, en rekenen dan de geloovigen met hun zaad tot het verbond, ook al weten wij het, dat wij ons kunnen vergissen, ook al blijkt het later dat niet allen, die wij rekenen tot het verbond,

ware bondgenooten zijn. Het wezen van den doop ontvangt alleen hij aan wie God zijn belofte verzegelt, en met het teeken de beteekende zaak, de vergeving der zonden en het eeuwige leven schenkt. Maar wij scheiden niet tusschen de leden der gemeente, omdat wij dit niet kunnen, en omdat God ons zegt, dat wij moeten doopen de geloovigen en hun zaad. Wij kunnen en wij mogen niet wijzer zijn dan God ons in zijn Woord heeft geopenbaard.

De eigenlijke grond voor den doop is dan ook het gebod Gods, die, zooals Art. 34 der Nederlandsche Confessie leert, „heeft bevolen te doopen alle degenen die de zijnen zijn", d.w.z. degenen, die naar de merkteekenen, die God ons heeft gesteld, tot het verbond Gods en zijn gemeente behooren. De doop werkt de genade niet, hij kan niets anders geven dan wat het Woord reeds heeft geschonken, maar, zooals Dr. Bavinck zegt (Dogm. IV, 583), de doop schenkt dezelfde weldaden als het woord „op een andere wijze en in een anderen vorm, zoodat het geloof, naar de mate welke God aan een iegelijk geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt." Dat ook de kinderen deze geloofssterking kunnen ontvangen, mogen en kunnen wij niet betwisten. Want gelijk God hen onbewust tot de wedergeboorte en het leven brengt, zoo kunnen zij ook onbewust van den Heiligen Geest ontvangen versterking in hun geloofsvermogen.

Maar al doopt de kerk degenen die des Heeren zijn, al wordt door de kerk het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods gehouden voor geheiligden in Christus, het is toch niet juist te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen wordt toebediend op grond van hunne onderstelde wedergeboorte, a. omdat de doop is het bevel Gods en b. omdat dit zou zeggen dat aan de uitverkoren kinderen vóór den doop de wedergeboorte reeds is geschonken, hetgeen niet alleen niet is te bewijzen, nergens in Gods Woord wordt genoemd en in vele gevallen met de practijk in strijd is. God is vrij in zijn doen en schenkt meermalen aan het zaad des verbonds eerst op gevorderden leeftijd levensvernieuwing, wedergeboorte en bekeering. En c. omdat licht daaruit een verkeerde gevolgtrekking kan worden gemaakt. Want al houdt de kerk het zaad des verbonds voor geheiligden in Christus, toch wil dat niet zeggen, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn, omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn, en dat daarom in de prediking steeds op zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.

Grond voor den doop is dus niet de wedergeboorte, maar het verbond Gods. Zoo spreekt ook Dr. H. Bavinck (Dogmatiek IV, 573): „De Gereformeerden keerden daarom (om overdrijving en verzwakking van den doop te voorkomen) tot de Schrift terug en namen bij de verdediging van den kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond der genade, dat naar Gods belofte niet alleen de geloovigen, maar ook hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof en bekeering, en veel minder ons vermoeden dienaangaande,