is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

638 DOSITHEUS

verlangen van den mensch wiens hart door genade heeft leeren zoeken naar den levenden God en zich met niet anders troosten laat.

In dezen geestelijken dorst is verlangen naar genade, verzoening, schuldvergiffenis, gerechtigheid, behoefte aan gemeenschap met God door Christus. God zelf alleen kan door zijn Geest dezen dorst stillen als hij den aemechtige doet drinken uit de geestelijke steenrots Christus.

Wie van dit water gedronken heeft zal nimmermeer dorsten (Amos 8 : 11, 13; Ps. 42 : 3; 63 : 2; Matth. 5:6; Joh. 4 : 13; 14:6; 6 : 35; 7 : 37).

Op het loofhuttenfeest te Jeruzalem riep Jezus (met een toespeling op het water uit de Siloabron dat over het brandoffer werd uitgestort): „Zoo iemand dorst die kome tot mij en drinke" (Joh. 7 : 37), vgl. Openb. 22 : 17: „die wil neme het water des levens om niet."

Zalig zijn zij die niet alleen hongeren, maar ook dorsten naar de gerechtigheid. [ 19.

Dositheus. I. Dositheus van Jeruzalem, geboren 1598, gestorven 1706, orthodox patriarch van Jeruzalem, 1672—1706, die in zijn eerste ambtsjaar in Jeruzalem een Synode hield tot weerlegging van de door Cyrillus Lukaris in de Grieksche kerk binnengedrongen ketterijen. — II. Dositheus van Samaria, volgens Origenes een tijdgenoot van Jezus en de apostelen, die zich voor den in Deut. 18:18 beloofden profeet uitgaf.

Dostojewski (Fedor Micbajlowïtsch),

werd geboren 1821 te Moskou en stierf in 1881. Hij is een van de beroemdste Russische romanschrijvers van de 19e eeuw, wiens werken in verschillende Europeesche talen zijn overgebracht. Dostojewski stamde uit een verarmde adellijke familie, ging eerst in militairen dienst, doch gaf later de voorkeur aan letterkundigen arbeid, m. n. aan het schrijven van romans en andere opstellen voor verschillende tijdschriften. Hij slaagde er echter niet in op deze wijze in zijn brood te voorzien. In 1847 sloot Dostojewski zich aan bij de revolutionairen, wat ten gevolge had, dat hij in 1849 gevangen werd genomen. Zijn vonnis luidde de doodstraf, hetgeen echter veranderd werd in verbanning naar Siberië voor vier jaren en levenslangen militairen dienst. Toen in 1859 Alexander II aan de regeering kwam, werd hij begenadigd. Ook in zijn later leven had Dostojewski niet veel voorspoed. Hij moest Rusland verlaten om aan zijn schuldeischers te ontkomen, zijn huwelijksleven was ongelukkig, hij leed aan toevallen. Zijn karakter was moeilijk, eenzelvig, achterdochtig. Van zijn revolutionaire gedachten kwam hij op later leeftijd terug. Dostojewski schreef vele romans, we noemen: Schuld en Boete, De idioot, De gebroeders Karamazow. Dostojewski heeft naam gemaakt door zijn fijne psychologische ontleding der karakters. De ziel van het Russische volk, de ziel van een nog in menig opzicht primitieve, althans naïeve natie heeft hij aldus bekend gemaakt. Hij heeft sympathie weten te wekken voor zulk een volk, maar ook diepten van het zieleleven aan den dag gebracht, die vroeger nauwelijks bekend waren. Ook teekent hij vaak ziekelijken en min of meerabnormalen. Dostojewskis moeilijk leven had hem met lieden

— DRAAK

van allerlei slag in aanraking gebracht, hij had rijke menschenkennis opgedaan en kende uit eigen ervaring, wat veelal voor een auteur onbetreden terrein is. Zijn boeken herinneren aan die van Tolstoj, maar zijn fijner en dieper. Zoo heeft Dostojewski een zeer grooten invloed geoefend, èn door hetgeen hij aan het licht deed komen uit de diepten van het zieleleven en omdat hij veel navolgers vond. Men kan zelfs spreken van een letterkundig genre, dat door Dostojewski is geïnspireerd. Het is de psychologische roman maar ook de roman, die van het Christendom alleen de zedeleer wil overnemen, zonder den grondslag, waarop ze rust, de roman van het pessimisme, soms ook van het communisme of anarchisme. [ 17.

Dothan, juister Dothaim, d. i. dubbele bron, de plaats waar Eliza de Syriërs met blindheid sloeg (1 Kon. 6 : 13) en waar Jozef door zijne broeders verkocht werd (Gen. 27 : 17, 25), aan den karavaanweg uit Gilead naar Egypte, volgens Eusebius en Hieronymus 12 mijlen van Samaria, aan een bergpas niet ver van Jizreël en Bethsean. De Christelijke sage toont met ver van den Noordelijken oever van het meerGennezaret een groeve van Jozef, met een waterrijke, 30 voet diepe bron, omdat men het nabij zijnde Safed voor het fabelachtige Bethulia in het boek Judith hield, dat in de nabijheid van Dothan moet geweest zijn (Judith 4 : 5; 7 : 3; 8 : 3). Maar ook dit moet volgens het boek Judith in het Zuiden, niet in het Noorden der vlakte Jizreël of Esdralon gelegen zijn.

Doxologie. Lofverheffing Gods. I. In gebeden zooals die in de Heilige Schrift voorkomen, vindt men aan het einde een doxologie of lofverheffing (Rom. 16:27 ; Ef. 3 : 21; 1 Tim. 1:17). Voornamelijk moet hier gewezen worden op de doxologie van het „Onze Vader^' (Matth. 6:13). In het Evangelie van Lucas (11 : 2 e.v.) komt deze echter niet voor. De Grieksche kerk heeft de doxologie bij het „Onze Vader" altoos behouden. De Roomsch-Catholieke kerk heeft deze doxologie niet. De kerken der Reformatie hebben zich bij den Griekschen ritus aangesloten.

II. In de kerkelijke liturgie bezigt men twee doxologieën, a. De groote, ook wel genoemd het gloria. Oorspronkelijk bestond deze doxologie alleen uit de woorden van Luc. 2:14. Laterwerd zij door Hilarïus en Poitiers (f 368) uitgebreid, en in de 5e eeuw was zij reeds in zwang, gelijk ze heden nog bestaat. Deze groote doxologie wordt in de Roomsch-Catholieke kerk uitgenomen den adventstijd en den tijd van het vasten: gezongen, op alle feestdagen aangeheven, b. De kleine bevatte oorspronkelijk alleen de woorden r „Gloria Patri et Filio et Spiritu Sancto in saecula saeculorum. Amen." Later werd daar tegenover het Arianisme bijgevoegd: „zooals het was in den beginne en nu en eeuwig zijn zal". Deze kleine doxologie sloot zich in de oude kerk aan het psalmgezang aan en wordt' thans nog gebruikt in de Episcopale kerk in Engeland. [ 24.

Draak, zeedraak. In de mythologieën van alle volken der oudheid speelt de draak een groote rol en is daarin steeds een wezen, dat een aan de goden of aan den oppersten god vijandige macht ontplooit. De strijd met den