is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DROOM

651

bruiloft te Kana (als zij wèl zullen gedronken hebben, Joh. 2 : 10, in de oude vertaling: als zij dronken geworden zijn), vgl. ook Spr. 11:25, Hagg. 1 : 6, Ps. 36 : 9, Hooglied 5 : 1.

Maar meestal wordt het toch gebruikt in den zin van dronkenschap, ten gevolge van zondig, overdadig genot van alcoholhoudende dranken, en het is een vruchteloos pogen om te verklaren dat in het Oosten niet anders dan lichte, zeer weinig alcohol bevattende landwijn of most werd gedronken, zoodat er van dronkenschap in den eigenlijken zin des woords geen sprake zou zijn.

Van de zonde der dronkenschap wordt in het Oude Testament veel gewag gemaakt, doch zij wordt nimmer vergoelijkt, maar steeds in haar zondig, den mensch onteerend karakter voorgesteld. Zij is een bron van spotternij (Spr. 20:1) van twist, hoererij en verderf (Spr. 23 : 29—34) en is ook in vorsten zeer te bestraffen.

De Mozaïsche wet bestraft dronkenschap ernstig. Een aan die zonde verslaafde zoon, door zijn ouders aangeklaagd, wordt met den dood gestraft (Deut. 21 : 20). De profeten spreken over haar het oordeel des Heeren uit (Joël 1:5; Jes. 56 : 12; Jes. 5 : 11).

In het Nieuwe Testament wordt niet minder ernstig tegen haar gewaarschuwd als tegen een heidensche zonde, die de vruchtbare moeder is van allerlei onreinheid en overtreding; zij behoort tot de werken des vleesches die te vlieden en te haten zijn, zij verwart de zinnen, ondermijnt de gezondheid, verstoort de krachten van lichaam en ziel, verwoest het huisgezin, rooft het levens'geluk, verhindert het gebed (1 Petr. 4 : 3; 1 Cor. 5:11; 6:10; Ef.5:18; Spr.20:l; 1 Petr. 4:8; Spr. 23 : 29, 33).

Nog wordt in de Heilige Schrift gesproken van een dronkenschap zonder wijn om aan te wijzen een verblinding in het verstand, verwarring, radeloosheid en hulpeloosheid, waarin God de goddeloozen stort voor het aangezicht hunner vijanden (Ps. 107 : 27; Jes. 29 : 9; 24 : 20; 28 : 1, 3; 63 : 6 ; Jer. 13:13; 48:26; 51:39,57; Klaagl. 4 : 21; Nah. 3:11).

In realistische beeldspraak wordt dronken zijn of dronken worden gebruikt om overvloed aan te duiden, zoowel ten goede (Ps. 36 : 9; Jer. 31 : 14; Jes. 55 : 2), als ten kwade {Spr. 17: 18; Openb. 17:6). Zoo leest men van pijlen, dronken van bloed; van het zwaard des Heeren dat in den hemel wordt genomen, dronken van het bloed zijner gerechtigheid (Jes. 34:5—7) enz. Ook de overvloed van straffend gericht Gods wordt er mee aangewezen (Jer. 31 : 14—25; Jes. 51 : 17, 21).

Ook thans blijft dronkenschap behooren onder de schandelijke zonden, waartegen de christen uit alle macht heeft te strijden.

Alle pogingen om openbare dronkenschap tegen te gaan moeten worden gesteund. Gaandeweg wordt zij minder, waartoe niet weinig bijgedragen heeft de maatregel om op bijzondere dagen, als lotingsdagen enz. de herbergen te sluiten.

Of daardoor het drankmisbruik zelf wordt verminderd is nog een tweede vraag. De ervaring in Amerika, dat voor alcoholische dranken drooggelegd is, stemt in dezen niet zeer hoopvol. Toch verdienen maatregelen als plaatselijke keuze enz. toejuiching.

Wie de namelooze ellende kent die het gevolg van drankmisbruik is, zal niet licht als de priester en leviet den mensch voorbij gaan die in handen der roovers viel. Meent iemand dat geheelonthouding en dergelijke ook op den weg van den christen liggen in den strijd tegen de drankzonde, dan volge hij consequent zijn beginsel zonder echter wie van een ander gevoelen zijn te verachten of te verdenken. Men raadplege hierover het artikel Geheelonthouding [ 19.

Droom(en) is een werkzaamheid, die onze ziel uitoefent, wanneer we slapen. In den lichten slaap, d. i. even nadat we zijn ingeslapen of kort vóór het ontwaken droomen we het meest. In den diepen slaap, die ruim een uur na het inslapen begint, komt de droom niet vaak voor. In den droom bouwen we uit elementen die in onze ziel aanwezig zijn, uit voorstellingen, strevingen en gevoelens, een beeld op. Als we slapen, stijgen uit de diepten van ons zieleleven allerlei voorstellingen en gedachten op, waarvan we in wakenden toestand ons soms niets meer herinneren. Ook strevingen en gevoelens, begeerten en aandoeningen werken krachtig, zoodat de droom in den regel een zeer levendig karakter draagt. Droomen openbaren ons vaak, wat er schuilt op den bodem van ons hart, en zijn een middel om onzen zondigen aard te leeren kennen. De droomen duren in den regel kort; vliegensvlug wisselen de beelden af. Gewoonlijk is men ook spoedig zijn droom weer vergeten. Wat Nebukadnezar overkwam, dat hij 's morgens wist dat hij gedroomd had maar zich zijn droom niet kon herinneren, is een veel voorkomend verschijnsel. Het specifieke van den droom bestaat hierin, dat we de voorstellingen, strevingen en gevoelens op een vreemde en wonderlijke manier met elkander verbinden. Door de fantasie of verbeeldingskracht bouwen we uit elementen die in onze ziel aanwezig zijn een nieuw geheel op. Deze nieuwe verbinding geschiedt in wakenden toestand, en, wanneer de fantasie goed werkt, laat zij zich leiden door logische, ethische en aesthetische wetten. In den droom daarentegen wordt die teugel gemist, verstand en rede zijn ter zij gezet en op vreemde, vaak grillige wijze worden de voorstellingen met elkander verbonden. In den droom doorleven we, wat in het werkelijke leven onmogelijk is.

Ómdat nu in den droom het redelijk denken niet werkt en de droombeelden zonder eenige contróle worden opgebouwd, is in den regel aan onze droomen geen beteekenis te hechten. In den nieuweren tijd hebben psychologen als Freud bizondere studie gemaakt van het droomleven. Door den droom in zijn samenstellende deelen uiteen te leggen (psycho-analyse) meent Freud een inzicht te kunnen krijgen in iemands verborgen zieleleven, en de geheime gedachten en verborgen motieven te kunnen opsporen. Hij gaat daarbij van de onderstelling uit, dat in iederen droom onvervulde wenschen zich laten gelden. Al is er in Freud's theorie zeer zeker een element van waarheid, de critiek op Freud heeft reeds duidelijk gemaakt, dat lang niet elke droom als een wensch die in het onderbewuste sluimert, kan opgevat worden.

Onder de Oud-Testamentische bedeeling heeft