is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

664

DUIVELBEZWEERDER

— DUIZENDJARIG RIJK

Duivelbezweerder. We ontmoeten zulk een duivelbezweerder of duivelbanner in Efeze (Hand. 19 : 13). Discipelen van de Farizeën zeiden de demonen te kunnen verdrijven (Matth. 12 : 27). Die macht beweerden zij te hebben ontvangen van Salomo in den weg van een ononderbroken overlevering. Josefus vertelt van zulk een duivelbezweerder, die in tegenwoordigheid van keizer Vespasianus en diens hof den demon uit een bezetene had gedreven door een ring onder zijn neus te houden; het kistje van dien ring bevatte den magischen wortel van Salomo, die alles tegen de booze geesten vermocht. Ziekte werd door de meeste oude volkeren toegeschreven aan de werking van den duivel en van booze geesten. Artsen en priesters waren dan ook meestal dezelfde personen. De booze geesten bezaten macht over de krachten der natuur. De duivelbezweerders verlosten de slachtoffers uit die macht der booze geesten door hen uit te drijven. Van de Oostersche volken over de Grieken en Romeinen drong dit bijgeloof door tot de Germaansche volkeren, die zelfs nu nog niet zijn verlost van het bijgeloof, zoodat duivelsbanners nog hun practijken kunnen uitoefenen tot op onzen tijd. De Schrift noemt de duivelskunstenaars in een adem met de waarzeggers. Zij mochten in Israël niet worden gevonden (Deut. 18:11). [ 8.

Duizendjarig rijk. Het Chiliasme of de leer van het Duizendjarig rijk is de onschriftuurlijke meening van een heerlijkheidsrijk op aarde, van den teruggekeerden Heere Christus met zijn opgewekte heiligen en getrouwe geloovigen, gedurende een zeker aantal eeuwen, vóór het laatste, over allen gaande wereldgericht, en vóór de intrede van den eeuwigheidstoestand. Zij wordt met allerlei wijzigingen voorgestaan. Hare aanhangers verschillen onderling over aanvang en duur, karakter en toestand, plaats en zetel van dit rijk, alsmede over de positie van de Joden er in. Zij stellen haar voor in groveren, of in fijneren vorm. Maar hoofdmomenten of grondgedachten zijn toch, dat er tweeërlei wederkomst van den Heere Christus aangenomen moet worden, een eerste tot oprichting van dit rijk, en een tweede tot het brengen van den toestand der eeuwigheid; dat er ook een dubbele opstanding onderscheiden moet worden, de eerste van de gestorven heiligen, die gedurende het tijdperk van dit rijk met den Heiland regeeren zullen, en de tweede daarna van alle dooden. Bij zijn eerste wederkomst zou de Heere Christus de antichristelijke macht overwinnen, den satan binden, de gestorven geloovigen opwekken, de gemeente, en inzonderheid die van het bekeerde, en naar Palestina teruggebrachte Israël, rondom zich vergaderen, van uit en met haar over de wereld heerschen, en voor zijn volk een periode van geestelijken bloei en stoffelijke welvaart doen aanbreken. Aan het einde zou dan aan satan en zijn aanhang toegestaan worden, dit rijk aan te vallen. Maar dan zou de Heere Christus voor de tweede maal komen, satan en zijn volgers neerslaan, alle menschen uit den dood opwekken en voor zijn rechterstoel doen verschijnen, en hun eeuwig lot bepalen en dat over hen brengen.

Deze leer is niet van Christelijken oorsprong, maar zij stamt uit het Parsisme, en vooral uit

de verkeerde Messiasverwachtingen bij het latere Jodendom. Het geloovig worden in den Heere Christus van vele Joden, verklaart haar binnendringen ook in het Christendom, terwijl de vervolgingen hare aanneming en verbreiding bevorderden. Nooit echter heeft de Christelijke kerk haar als een deel van haar geloof in hare Confessie opgenomen. Integendeel heeft de Luthersche kerk haar in de Confessio Augustana, en hebben de Gereformeerde kerken in de Confessio Helvetica haar uitdrukkelijk verworpen. In de eerste eeuwen werd zij geloofd en geleerd door ketters als Cerinthus, Ebionieten, Montanisten e.a.; door mannen der kerk als Papias, Justinus Martyr, Irenaeus, Hippolytus; Nepos van Arsinoë, Methodius van Tyrus, Apollinaris van Laodicea; Commodianus, Lactantius, Victorinus van Pettau e.a. Zij werd bestreden door Cajus van Rome, Origenes, Dionysius van Alexandrië, en vooral door Augustinus. Sedert verloor zij meer en meer aan beteekenis, deels in verband met de positie en den toestand der kerk, zoodat zij in de Middeleeuwen slechts door enkele personen en bizondere groepen geleeraard werd, als Joachim van Floris, Spiritualisten als Tanchelm, en Amalrich van Bena, Apostolici.

Met den Hervormingstijd leefde zij weer op, voornamelijk in sectarische kringen. De Heilige Schrift kwam in veler handen. Vervolging om des geloofs wil werd geleden. De politieke beroering was groot. Godsdienstoorlogen werden gevoerd. Ook werkten maatschappelijkehervormingsideeën uit de Middeleeuwen na. Deze leer vond dientengevolge aanhang bij Anabaptisten en Davidjoristen e.a. Ook mannen als Comenius, Böhme, de Labadie e.a. stonden haar voor. „Zelfs Gereformeerde theologen neigden tot een gematigd Chiliasme."

In de 18e eeuw werd zij bevorderd vooral door Bengel, en later werd zij geleerd door Swedenborg, Darbisten, Irvingianen, Mormonen, Adventisten e.a.

Men beroept zich voor haar op Schriftplaatsen als Matth. 23 : 37—39, vgl. Luc. 13 : 33—35, Luc. 21 : 24, Hand. 3 : 19—21, Rom. 11:11—32. Doch in deze plaatsen wordt niet gesproken van een wederkomst des Heeren, voorafgaande aan die op den jongsten dag, noch van tweeërlei doodenopstanding, welke eeuwen uit elkander zouden liggen. Het vraagstuk van de toekomst der Joden, erin aangeroerd, kan hier blijven rusten. De voorstelling van zoodanige dubbele opstanding is bovendien in strijd met andere duidelijke uitspraken der Heilige Schrift, als Joh. 5 : 28, 29, Matth. 25 : 31—46, 16 : 27, 1 Cor. 15 : 51 v.v., e.a. Ook wijst men op vele OudTestamentische profetieën, als Ezech. 47 en 48, Jes. 11 : ëv.v., Joël 3 : 17 v.v., Micha 4 : 1 v.v. e.a. Maar in deze Schriftdeelen wordt in beeldspraak, aan het Israëlietische en aardsche, menschelijke leven ontleend, de heerlijkheid en zaligheid geteekend van 's Heeren gemeente, welke zij op geestelijke wijze reeds nu in den Nieuw-Testamentischen tijd gedeeltelijk en aanvankelijk genieten mag, en in de eeuwigheid ten volle smaken zal. Daarbij is de voorstelling van een wederinstelling onder Gods hooge goedkeuring van den Israëlietischen offerdienst, zóó