is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

ECHTSCHEIDING

wanneer zij, uit haat tegen God op onvrome wijze verstooten zijnde, niet anders weer bij hem in de gunst kan komen dan wanneer zij God verloochent. Daarom is het geenszins bevreemdend, wanneer Paulus de oneenigheid met een sterfelijk mensch verkiest boven de vervreemding van God". Hij verklaart in zijn aanteekening op 1 Cor. 7 : 15 dat bij zulk eene verlating uit oorzaak van godsdienst „de eerste en voornaamste band niet alleen wordt losgemaakt, maar verbroken". Verder laat hij zich aarzelend en voorzichtig uit of dit geval ook kan worden toegepast op een Roomschen echtgenoot. In de practijk heeft Calvijn een ruimer opvatting gehuldigd. Toen de Italiaansche Markies van Carrac ci oli Gereformeerd geworden was en daarom zijn land had moeten verlaten, en zijne vrouw, die Roomsch bleef, hem niet wilde volgen, heeft Calvijn, nadat alle middelen tevergeefs waren beproefd om de vrouw te bewegen bij hem te komen wonen, evenals de kerkeraad van Genève, volgens het advies van Petrus Martyr en de voornaamste Zwitsersche theologen, verklaard dat het huwelijk mocht ontbonden worden. De echtscheiding is dan ook door de overheid van Genève uitgesproken en Carraccioli is daarna met een andere vrouw getrouwd (Calvini Opera XXII, 720, Doumergue, Jean Calvin II 640).

Hoe Calvijn dacht over moedwillige verlating anders dan om religieverschil, is niet met zekerheid te beantwoorden. Hij was altoos zeer bevreesd voorlichtzinnigverbreken van het huwelijk, waartoe zeer waarschijnlijk zeer veel hebben bijgedragen de onzedelijke toestanden, die in Genève heerschten, toen Calvijn daar kwam, en de vrees dat, nu men in tegenstelling met Rome de echtscheiding toeliet, al te roekeloos hiervan gebruik zou gemaakt worden. Zijn bedoeling was altijd, dat de partijen al het mogelijke zouden doen, om het huwelijk voort te zetten. En eerst als alle middelen uitgeput waren, achtte hij echtscheiding geoorloofd. ;

Dat Calvijn de kwaadwillige verlating in het algemeen beschouwde als een geldenden grond voor de echtscheiding blijkt uit de huwelijksordinantie van Genève, uit het jaar 1545, welke niet zonder advies van Calvijn is ingevoerd, en die in 1561 in de Ordonnances ecclésiasuques is opgenomen, waarin verklaard wordt, dat echtscheiding geoorloofd is: 1*. in geval van echtbreuk, 2*. in geval van impotentie, waartegen geneeskundige behandeling niet baatte, 3°. wanneer de echtgenoot zonder iets van zich te laten hooren tien jaren lang wegbleef, en 4°. wegens kwaadwillige verlating.

Beza is van oordeel, dat er twee wettige gronden voor echtscheiding zijn: hoererij en verlating. Het argument der verlating ontleent hij aan 1 Cor. 7 : 15. Beza beschouwt de scheiding uit oorzaak van verlating niet zoozeer een nieuwe grond, dan wel een antwoord op de vraag: wanneer de eene partij verlaten wordt, mag zij dan opnieuw huwen ?" „In wat gezegd wordt aangaande de verlating is geen sprake van het tot stand brengen van echtscheiding, maar wordt gevraagd, of het, nadat de ongeloovige onwettig een echtscheiding tot stand gebracht heeft, geoorloofd is zorg te dragen voor de consciëntie

van de(n) geloovige". (Van ondertrouw enechtscheydinghe, 1593, bl. 236 v.v.; Anema, De gronden voor Echtscheiding, bl. 55). Wanneer de ongeloovige scheidt, dat hij scheide, en dat hij in zij ne zonde blijve. Een vrouw, die aldus verlaten is, mag weder huwen. Door deze moedwillige verlating is de band des huwelijks vaneengescheurd. De zonde ligt voor rekening van den veriater. Als evenwel de ongeloovige partij om een andere dan om godsdienstige redenen de geloovige verlaat, wat moet dan geschieden? Beza antwoordt dat hij dan tot zijn plicht moet worden geroepen; luistert hij niet, dan is hij een hypocriet, en mag hij worden beschouwd als wel degelijk om geloofsredenen zich te hebben verwijderd. Gaat de geloovige partij weg om levensgevaar of slechte behandeling, dan mag geen nieuw huwelijk worden gesloten. Ook keurt Beza af de ontbinding des huwelijks wegens tijdens het huwelijk opgekomen ziekte of krankzinnigheid, of wegens onvruchtbaarheid. Met betrekking tot het huwelijk van twee ongeloovigen geldt, volgens Beza, de regel dat hier geen scheiding door verlating kan plaats hebben.

De Gereformeerde kerken in Nederland waren evenals de andere kerken der Reformatie van oordeel dat de huwelijkssluiting evenals de echtscheiding een burgerlijke zijde heeft en daarom niet zonder consent van de overheid geschieden mag. Na de Reformatie bleef het de gewoonte, dat de predikanten de huwelijken sloten, waarbij zij telkens voor allerlei moeilijke kwesties kwamen te staan, vooral wat de graden van bloedverwantschap en het al of niet geoorloofde van echtscheiding en hertrouw betrof. Om die reden vroegen zij herhaaldelijk aan de Staten om een generale huwelijksordinantie (Kuyper, Postacta, bl. 163, 266). De Gereformeerde Synoden verwezen de personen, die kwamen vragen of ze mochten hertrouwen, steeds naar de overheid. De Synode van 1574 verklaarde dat een onschuldige partij, wiens echtgenoot overspel begaan had, aan de overheid zal vragen het recht om te scheiden. In vraag 20 wordt op de vraag of een man, wiens vrouw 20 jaar van hem geweest is, van wier dood men niet zeker is, terwijl de man met een andere vrouw leeft, wel met deze vrouw mag trouwen, geantwoord dat men den magistraat zal vragen om consent om hem in de consistorie te trouwen. De Synode van 1578 bepaalde, dat zij, die wegens overspel gescheiden zijn, niet zullen hertrouwen, zonder consent van de overheid. In 1581 werd besloten dat iemand, die door de overheid, wegens overspel van zijn vrouw, gescheiden is, volgens Gods Woord weder mag huwen. De Geldersche Synode (Smeöus, Ordonn. C. VIII. Art. 23, 24) verklaarde dat langdurige ziekte, dolheid, enz. geen wettige oorzaak van echtscheiding was, maar dat, wanneer een man de kwaadwillige verlating van zijn vrouw aan het Hof bewezen had, hij dan met een gerust geweten met een andere huwen mocht. Wel werd als algemeenen regel gesteld, dat het huwelijk naar de instelling Gods onverbrekelijk is, maar in de practijk was de kerk zeer ruim en schoof de moeilijkheid af op de overheid. In 1589 gaf de Friesche Synode aan Hero Frisii, die zonder wettelijke oorzaak