is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EDEN - EDESSA

aangename droomen voor hem die dezen steen in een ring droeg. De chalcedon komt alleen in de Openbaring voor en heet eerst na de Middeleeuwen naar de stad Chalcedon, tegenover Constanhnopel. Hij is lichtgrauw van kleur, en werd veel gebruikt voor gemmen en zegels. De chrysoliet, die in de Staten Vertaling alleen maar in de Openbaring voorkomt, naar de Leidsche Vertaling ook in Exodus, is een doorschijnende en fraai geel-groene kiezel, terwijl de chrysopraas uit de Openbaring maar een matte vetglanzende, groen gekleurde steen is, die nog al eens verward wordt met den voorafgaanden JJe grootste waarde onder alle kiezelsteenen heeft de jaspis, in de Leidsche Vertaling voor den diamant genoemd en die bij Ezechiei en in de Openbaring voorkomt zonder den diamant. In Openb. 4:3 en 21 : 11 kan een zeer heldere en prachtig gekleurde opaal bedoeld zijn. Ue onyx is de sardonix van Gen. 2 • 12 die znn waarde vooral hieraan ontleende dat op twee sardonixsteenen de namen der twaalf stammen Israëls waren gegrafeerd, die gezet werden aan de schouderbanden van den efod. Hij was de steen waarop bij voorkeur werden gegrafeerd namen en zegels. Hij leende zich daartoe bizonder door de verschillend gekleurde lagen die parallel liepen met het oppervlak van den steen. Als nu de laag, waarin het gesnedene beeld uitkwam, geel was, dan heette de steen ook wel sardonix; werd het beeld lichtgeel dan droeg SU*?" deQn naan?>van sardis (of sar Aas), (Openb. 4 : 3; Ex. 28 en 39) door de Leidsche

„ o* r ëciiuemu. ue wtkoois komt

volgens de Staten Vertaling voor onder de ge-

vtl^v11 T «ft 28 en 39' doch de Leidsche Vertaling heeft daarvoor den naam chrysoliet • hij wordt echter ook op vele andere plaatsen ge^ noemd (Dan. 10:6); hij is de minst harde onler alle tot dusver genoemde steenen, en daardoor bizonder geschikt en a^mr-ht ««i, ïl'

de Arabieren voor ringversiering; hij mag niet gemist worden aan den vinger van den Muzelman. Het is een dofglanzend, ondoorschijnend gesteente, dat op het Sinaïtisch schiereiland nog veelvuldig voorkomt. Ten slotte zij nog opgemerkt met betrekking tot alle deze steenen in het gemeen, dat de ouden de meer heldere ItVt^u .^""weUJke en die een meer donkere kleur hadden mannelijke steenen noemden. T 8 Eden is de naam van de landstreek, waarin

bLlS rfpWv^"1' dien W« naar het oorbeeld der Gneksche vertalers van het Oude Testament gewoon zijn „paradijs" te noemen.

?,zeiLna,am hoorde de Israëliet zijn eigen Tv,0/*1 «èdèn"= lieflijkheid, lust. Waarschijnlijk echter is Eden hebrafeeering van het Babylonische „êdinoe", dat „stepp!" of „vlakte" beteekent en bij voorkeur gebruikt werd ter aanftMir oeverlandschap van

/nof Sïen^: t S^otg»

Ëi r' Herwiil Ge"-2:10-14 dit nader gmschnjft door de namen mede te deelen van de vier takken, die niet, gelijk nog steeds door

& d2^EmHee3d'ge.vormdw^Sïïwde

nvier den hof had verlaten, zoodat deze door

19

?„ p£ » nv,er, z°u zijn gedrenkt, maar die, in Eden uit eenzelfde nvier ontsproten, gemeenschappelijk den hof hebben gedrenkt. Dit is de duidelijke zin van vs 10: „en een rivier ginguit van Eden om den hof te drenken, doordien hij zich vandaar vertakte en tot vier armen werd "

Pr^Jïï? ziin hechts Hiddékel en

Frath ons bekend. De eerste („vloeiende rivier" ?) is, gelijk uit Dan. 10 : 4 blijkt, de Tigris; de tweede („groote rivier") is, zooals uit dé 14 andere plaatsen, waar van deze rivier snrake is duidelijk blijkt, de Eufraat Welke met de beide andere, Pison en Gihon, bedoeld zijn, is nog steeds een raadsel. De moeilijkheid zit hier if onze onbekendheid met het antieke wereldbeeld We weten slechts, dat men de aarde zag als een schijf omgeven door de wateren der wereldzee Daarbij dacht men zich Zuid-Babyloniei stamland der menschheid, als het middelpunt' vanwaar de vier wereldstroomen uitgingen, die dé TEfon?' m°estenyoeden- Zie verder Noordtzij! no [3 e" eeuwen getuigenis, bl. 107—

Eder, een stad in nVn et;.™ uuu .

I*w ic . n< „ : "V"'" j sieunis in

£Lva genoemd .mogelijk ontstaan uit den nlZl* tT °f kuddete«"» in de nabijheid van

%?w?ïï\Jrul &C?D ziin tent °Ps,°eg (Gen 33:19). Uit den kuddetoren, den oorspronkelijken wachttoren om het vee te kunnen z^ kan we" t^inZ^ ,Zljn voortgekomen. In Micha va„ *Z"^.Jemzalem Eder genoemd in den zin nauiH H gehl5enS- "Het "8* v°or de hand dat w l ' ^ 'en -de Heere van herder der schapen tot herder zijns volks had gemaakt, Zion juist kuddetoren noemde." J

Edessa (School van). Edessa lag in Mesopotamië. Bij de Armeniërs heette de stad Edesia, bij de Syriërs Ur-hoi, bij de Arabieren er-Roha bij de Christenen Urfa. De gesch edenis van deze stad gaat terug tot op deSeleuciden Selecucus Nikanor heeft haar misschien ge-

_—„, .„ „,„. Sl.ïai vcigruoi. uaarna ontvinezii spoedig den naam Edessa. Na de regeering de? Seleuciden was zij de zetel van dï koningen van Osrhoëne. De eerste Orhoi of Osrhoe's was Chev,0 (136 v. C). Onder TrajS'kwTm oe stad onder Roomsche macht (100 n Cl Koning Abgar Uchomo (8-45 n. C.) is de vorst 3? IS " b™fwl«>J?« «et Christus afkomt stig moet znn. Van de Romeinen kwam Edessa 1* «acht der Perzen, daarna in 650 in de macht der Arabieren en in 1040 in de macht der Seldschucken Tijdens de kruistochten vorm-

iSJr? <1097TI047) een Christelijk graafschap.

Het Christendom vond er reeds vroeg ingang ofschoon het bericht bij Eusebius omtrent Abgfr Uchomo, die het daar gebracht moet hebben' met zeker is. Evenmin zeker is het, dat de aposte Thaddeus daar gearbeid heeft. Wel is het zeker,

Sk beSften!enen * 202 +C er reeds een „ Ja!L hl* tosschè leven der Christenen aldaar getuigt de vertaling des Bijbels (PeschitÖ) aan hCt £indVan de 2de of beSin 3de eeuw verrffnS Xa.n„de 2de-tot 5de eeuw was Edessa de hoofdzetel der Syrische geleerdheid. Er bloeiden verschillende scholen, die zich voornamelijk met de verklaring der Heilige Schrift bezig