is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENMAAL - EENSWILLEND

32

wezens niet mogelijk is Deze éénighed Gods wordt somtijds ook wel genoemd Zijn algenoegzaamheid. Elk creatuurlik wezen is van ooSlfc tot oogenblik op he allerdiepst afhankelilfe maar God is van niemand en van nfets zelfs; niet in het allergeringste ook maar één óogenblik afhankelijk. Het GoddeHjfc: Wezen wordt door niets gedragen maar draagt alle* ontvangt niets maar geeft alles HH is &^genoegzame. En daarin is het Goddelijk Wezen

ééMln heeft ook wel het éénige vanGodwillen uitdrukken door het woord a se

taling van het Lati nsche aseitas — esse: a. se, van en door zichzelf bestaan), om daarmede mt te drukken dat God het wezen en het bestaan in, vTen door Zichzelf heeft, in tegenstelling met alle creatuur dat het leven van God ontvangt en door Gods kracht in het leven stand houdt. We lezen hiervan in Joh. 5: 29: «uelijK de Vader het leven heeft In Zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te

neppen m*^™- _nrnten van de eerst-

C°gGodr dênkende aan wat we lezen Jesaja

41 -4: .lk Den ae eersic ra i» -~

en behalve Mij is «L^^iffSSgSS

zlak van al het geschapene, en alle dingen beiSn door Hem8 Dat is het éénige van Hen. die alleen is. Maar de woorden -?elfwezighe,d

en eerstheia Kunnen mei naa., w. —P . j ,.v. ten die daarin besloten liggen, worden duidehjk genoeg in het schoone woord algenoegzaamheid

"'ilfSolgzaam is het eeuwige en volzalige Wezfn vin het creatuur geldt juist het tegenoverstelde, het is het éénige van den Eenen die wShtig God is. Diepe af hankelHkheid reeds in hef X en bestaan, en in het zóó zijn en met anders is het vaste kenmerk van al wat schepsel

bezield or mei oezicm. i«i .° '

alleen die den adem, het leven en alle. dingen geeft Het schepsel moet ontvangen ruimte en tlid een Plaats om zich er te bevinden een kring om Ir zichin te bewegen, de middelen om in het bestak te volharden. Maar God is niets Slnoetendt (Hand. 17 : 25) en uit Hem endoor Hêm en tot Hem zijn alle dingen.

De éénigheid Gods ligt ook hierin dat Hij is het Wezen, of ook wel het absolute Wezen, met andere wóórden het Opperwezen, van alle eeuwigheid gansch volkomen en volmaakt. De gedachte alsof er in God eenige ontwikkeling zou plaats nebben hetzij in Zijn wezen hetzij in Zijn bevmsteö'n, is niet toelaatbaar. In de natuur zien we groei en ontwikkeling, zelfs bij Jezus was er Tn de menschelijke natuur een opwassen en toe-

E^eSntwikkeling ^V^JSÏSfë

macht, en wie in uuu ohl.. b - _

wemt Hem aan een nog Hoogere macht De Christelijke kerk belijdt daarom met slechts dat er tón God is, maar veel rijker en heerlijker, ** . .... . h-!~. \\T^an riat Hii on eansch

eeuwigheia tot eeuwiguciu «ju- \. —— —

_ .,.11. „± ui^vM aoriarht worden aan

de volheid van leven in God. Ook dat is éénig

in God. Bn oen mensen is wo.»u ™> ■ —

zfln wezen in werking, en als het eene vermogen

in actie is rust net anuere. «™ w —-in den mensch die voortdurend sluimeren tenzij

ze oo een onzonaere wij« ««■«"" ts ■--

Als de mensch slaapt, sluimeren zelfs alle ver¬

mogens en kracnien. maai u« c^«.s~ —-Ts dat Hij nooit en in niets slu mert (Psalm

_. . Aa m tists sluimering

121 • 4). in nem is mei »«; , , .

van eenige kracht of macht, in God is mets Sent maar eeuwige werking. De godgeleerden plegen tespreken van de allerzuiverste daad facbis purissimus), en daarmede bedoelen zij dat in God is een volheid van leven, dat Hnis het eeuwige leven, in Wien niets sluimert, maar fn Wen file kracht en macht van Zijn Wezen wat Hem zeiven aanbelangt, en in| verhoud mg tot Zichzelven beschouwd, eeuwiglijk in werking

%enmaal. Dit woord, dat dikwerf in de Heilige Schrift voorkomt, nemen wjj hier alleen in den zin, waarin het gebezigd wordt in Hebr. 9 : 26. De voorrang van het Nieuw-Testamentische verzoeningsoffer boven het Oud-Testamentische is in Hebr. 9 aangegeven. DehoogeDriester mocht 1" slechts in het heiligdom, door Schenhanden gemaakt (vs. 24); ^ook daann slechts eenmaal 'sjaars op den Grooten Ver-

nadat nu zicnzeiven ra uou »~t .„ju

had Lev. 16); 3» met dierenbloed en moest 4» dit iaarliiksi herhalen (vs. 1-9). Christus daarenegen is 1" inden hemel zelf, 2» met zijn eigen bloed, zooals het ter verzoening noodig is, 3 eenmaal (vs. 26, 28) ingegaan en heeft daardoor voor alle zónden genoegdoening verschaft. _ , _,, „„v,Q« A.rocpns hunne zonden)

slechts eenmaal sterven m o eten (vs. 27), zoo

heeft ook Hij siecnts eeuuuuu ——»smaakt, en daarmede de zonden van^ velen

bi Hem, maar in aezen tui, »»' ■•1 _1 „„„ heid zal gezien worden op de wolken, want van uciu tiu & . . snrake meer

zijn bij Christus. De «oomidrttte^^

peseven leer van uc ihwvuiu8 — -

bloed en hoofdzakelijk van het eenmaal gebrachte offer van Christus, is de meest afdoende wederlegging van het Catholieke misoffer, als wn een onbloedig offer, een dagelijksche herhaling van het offer van Christus.

Eenswezens. Dogmen-histonsche uitdrukking De strijd over de Godheid1 van Christusiln de oude Christelijke kerk gevoerd tusschen AthanLius en Arius is op de Synode van Nicea (325) blilist met de uitspraak, dat de Zpon eenswezens met den Vader is, en niet gesubordineerd is aan den Vader, gelijk Origenes leerde [ 28.

EenswOlend: Hiermede plegen wij uit te drukken de zielsgesteldheid waarin de geloovige vereenigd is met den weg, waarin God hem S bepaald den weg van tegenspoed marin smart en kruis zijn deel zi^n. Het is de tegensteUing van de ontevredenheid en het morren over hetgeen de Heere in het leven beschikt. [ 28.