is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

EGYPTENAREN

Egypte dan „de rivier zal verdroogen" (Jes. 19 : 5v.v.; Zach. 10 : 11; Ez. 29 : 10; 30 : 12). Egypte was de korenschuur van alle omliggende volkeren (Gen. 12 : 10; 42 : 1 ; 43 : 2).

Bosschen had Egypte niet. Van de vruchtboomen kende men behalve verschillende palmsoorten, den vijg, sykomoor, granaatappel, tamarisk, wilg en akazia. Overal werd wijn verbouwd, maar de nationale drank was een soort bier. Onder de graansoorten kende men gerst, tarwe en gierst, vgl. Ex. 9 : 31 v. Voorts ui, prei en knoflook, radijs, meloen en komkommer, vgl. Num. 11:5. Vlas werd overal verbouwd. De balsemstruiken leverden zalven. Olijfolie werd meest uit Azië geïmporteerd. In de moerassen groeide riet, papyrus en de lotusbloem. Het papyrus (pa-p-iur = de [plant] van de rivier) werd behalve als „papier" ook gebruikt voor het maken van touwen, matten, sandalen, manden en zelfs kleine schepen, vgl. Ex. 2 : 3, Jes. 18 : 2, Job 9 : 26. Onder de dieren kende men den ezel, vooral als lastdier; sinds de Hyksos ook het paard, dat vooral in den oorlog werd gebruikt, vgl. Deut. 17 : 16, 1 Kon. 10 : 28 v. Dat de oude Egyptenaren kameelen gehad hebben blijkt niet. Voorts hadden ze groote kudden runderen, schapen, geiten en varkens. Hond en kat waren huisdieren naast wezel en ichneumon (Egyptische muis). Van de wilde dieren kende men jakhals, vos en hyena; leeuw, lynx en luipaard worden alleen in de oudste tijden vermeld. In den Nijl leefden naast tal van vischsoorten (Num. 11 : 5) krokodillen en nijlpaarden. Ten Zuiden van Assoean zag men olifanten en rhinocerossen. Eindelijk had men massa's kikvorschen, schorpioenen, hagedissen, slangen, vliegen en luizen. [ 3.

Egyptenaren. De Egyptenaren, die zichzelf römet d. i. „menschen" noemden, zijn waarschijnlijk ontstaan uit de vermenging van een oorspronkelijke negerbevolking en een in voorhistorischen tijd binnengedrongen Semitische stam. Zeer terecht wordt dus in Gen. 10 Egypte de tweede zoon van Cham genoemd en op verwantschap gewezen met Koesj, Poet en Kanaan. Het is een klein, mager volk met kleine handen en dunne enkels, maar zware beenderen. Hun huidskleur is lichtbruin; hun lichtgekruld haar zwart; ze hebben een licht vooruitstekende kin, dikke lippen en amandelvormige zwarte oogen.

Hun taal vertoont trekken van verwantschap met het Semitisch, waarmede het de klankverscheidenheid en het triliterale stelsel gemeen heeft; maar ook met de Berbertalen van NoordAfrika en een groep talen van Noord-Oost-Afrika. De oudste inschriften gaan pl.m. 3200 jaar v. Chr. terug. Over het Nieuw-Egyptisch heen heeft zich hieruit het Koptisch ontwikkeld, de taal van het Christelijke Egypte, welke, meer en meer door het Arabisch verdrongen, eerst in de 17de eeuw n. Chr. geleidelijk is ondergegaan.

Het Egyptisch, dat uit 24 medeklinkers bestaat — de klinkers worden niet aangeduid — werd oorspronkelijk geschreven in hiërogliefen („het schrift der heilige woorden"), die ontstaan zijn uit een pictografisch systeem, veel gelijkend op dat der Babyloniërs, Chineezen en Mexicanen

(zoo iets als onze rebus), waarbij afbeeldingen de plaats onzer woorden innemen. Dit langzamerhand ontwikkelde systeem bestond ten slotte uit een paar duizend teekens, waarvan gewoonlijk echter slechts een paar honderd werden gebruikt. Dit beeldschrift, dat zeer wel geschikt was voor monumenten en beeldhouwwerken, was dit echter minder voor geschriften. Door afkorting en wijziging ontwikkelde zich hieruit dan ook het hiëratisch („heilig") schrift, waarbij de beelden vervormd werden tot een soort cursief schrift. Hieruit is door voortgaande vereenvoudiging het demötisch of „volks"schrift ontstaan, dat meer voor het dagelijksch gebruik geschikt was. De hiërogliefen werden oorspronkelijk van boven naar beneden geschreven evenals het Oud-Babylonisch en het Chineesch; later zoowel van rechts naar links als omgekeerd. Het hiëratisch en het demötisch werden evenals het Hebreeuwsch van rechts naar links geschreven. Het jongste hiërogliefen-inschrift dateert uit 250 n. Chr.; de jongste demotische tekst uit 453

n. L.hr. De eerste ontcijfering van het hiërogliefisch en het

demötisch danken we aan Champollion (1791—1832), die in 1799 gedurende Napoleons verblijf in Egypte met behulp van den steen van Rosetta de eerste lijnen uitstippelde.

In onderscheiding van het cultuurleven stond de religie op een

lagen trap. De groote menigte is nooit uitgekomen boven de traditioneele vereering van den localen afgod, een soort demon, die als jakhals, leeuw, vogel, kikvorsch, slang in boom of rots wonend gedacht werd. Daarnaast stond de vereering der hemellichamen, waaronder vooral de zonnegod Rê op den voorgrond trad. In Memfis was Ptah, een der schepper-goden, die met zijn hamer de ei-vormige wereld opende, de patroon der kunstenaren en werklieden, hoofdgod. Natuurlijk kwam de politieke invloed van zijn stad aan de positie van den stadsgod ten goede. Zoo werd toen Thebe („Amonsstad", vandaar No-Amon, Neh. 3:8, of No, Ez. 30 : 14 v.v.) pl.m. 1600 v. Chr. in plaats van Memfis de hoofdstad werd des rijks, Amon de grootste der goden en nam hij de plaats in van Rê, die zelf Horus van de opperheerschappij in de godenwereld had beroofd. Daarbij trachtte men godenfamiliën te vormen en bouwde geleidelijk uit zulk een triade (vader, moeder en kind) een heele genealogie op. Ook maakte men de oude locale demonen tot goden van natuurkrachten. Zoo werd Osiris van Abydos als

Psammetichus I.