is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

EKRON — EL

terlijke gaven. Hij vervaardigde vele sequenzen, maar bovenal een gedicht Waltherius, waarin hij de vlucht van Walther van Aquitanië met Hildegonda bezong. Dit gedicht was in het Latijn gesteld. Het is later vertaald in het Duitsch en de bekende dichter Von Scheffel heeft het gebruikt voor zijn roman Ekkehard. [ 24.

Ekron, een belangrijke stad der Filistijnen in het Noorden van het land der Filistijnen gelegen. Het heeft wel eens behoord tot den stam van Juda (Joz. 15 : 45) en ook wel tot den stam Dan (Joz. 10 : 43). Het is echter later aan de Filistijnen gebleven. In Ekron kwam eenigen tijd de ark des verbonds (1 Sam. 5:10). In Samuels tijd was het Israëlitisch (1 Sam. 7 : 14). 1 Sam. 17 : 52 is het weder Filistijnsch gebied. Naar Ekron zond Ahazia boden om den god Baal-Zebub te vragen (2 Kon. 1 : 2). De Maccabeeër Jonathan ontving de stad van Alexander, zoon van Antiochus Epifanes, ten geschenke (1 Macc. 10 : 89). Tegenwoordig heet het Akir en is een tamelijk aanzienlijke plaats twee uren Zuid-Westelijk van Ramleh. [ 24

Ekthesis. Toen keizer Heraclius (610—641) regeerde, trachtte hij de bestaande oneenigheden op godgeleerd gebied, die er gerezen waren, nadat de Monofysieten op het 5e oecumenische concilie veroordeeld waren, weg te nemen. Hij dacht de formule uit, dat Christus door één godmenschelijke wilsuiting zijn verlossingswerk volbracht had. Toen ook tegen deze formule bezwaren rezen, voornamelijk van de zijde van Sofronius, den patriarch van Jeruzalem, vaardigde de keizer in 638 een edict uit Ekthesis genaamd, waarin bepaald werd, dat het woord energeia, dat ergernis verwekt had, door thelèma zou vervangen worden. Constans II (642—668) hief de Ekthesis op en gaf daarvoor den Typos in de plaats, een edict, waarin van één noch twee willen sprake was. [ 24.

El, Elohim zijn twee soortnamen, in het Oude Testament gebruikt als benoemingsmiddelen van God. Van deze komt Elohim 2570 maal voor, zijn enkelvoud Elóah 57 maal, terwijl El 226 maal voorkomt en zijn meervoud Elfm 9 maal. . Elohim dient soms ter aanduiding van de heidensche goden (b.v. Ex. 9 : 1; 12 : 12; 20 : 3) of van godenbeelden (b.v. Ex. 20 : 23). Meestal wordt het echter gebruikt ter aanduiding van een enkelen god (of godenbeeld, b.v. Ex. 32:1), hetzij deze een heidensche god zij (b.v. 1 Sam. 5 : 7) of godin (b.v. 1 Kon. 11:5) dan wel de God van Israël. In het laatste geval wordt het — dikwijls van het lidwoord voorzien: ha-elohim, vgl. in het Nieuwe Testament ho-thëós, de (ware) God — dan een soort eigennaam naast Jhvh.

Iets dergelijks geldt van El en zijn meervoud Elfm. El vinden we hoofdzakelijk in de Psalmen en Job en voorts bijna alleen in poëtische stukken of in verheven proza. Zijn meervoud Elfm wordt slechts gebruikt ter aanduiding van heidensche goden (b.v. Ex. 15 : 11), het enkelvoud El öf van een heidensch god (b.v. Ps. 44: 21) öf van Israëls God. Soms vinden we het met het lidwoord (ha-El) en wordt dan evenals ha-elohim gebruikt in den zin van „den waren God" (b.v. Gen. 46 : 3). Vaak wordt er een nadere

bepaling aan toegevoegd: „levende God", „allerhoogste God", „Godalmachtig", „eeuwigeGod". Ook vinden we dat El herhaaldeHik in eigennamen, waar het identisch is met Ja of Jo (uit Jhvh): Elchanan (naast Jochanan), Elnathan (naast jonathan), Eljakim (naast Jojakim) enz.

De taalkundige verhouding van El, Elóah en Elohim schijnt deze te zijn, dat El en Elohim twee vormingen zijn van eenzelfden stam en Elohim het meervoud van Elóah.

El is de algemeene Semitische benaming voor God. Elóah vinden we bij de Arameërs en Arabieren terug. Welke zijde van het Goddelijke wezen hierin naar voren treedt, is niet duidelijk. Sommigen vatten El op als „de sterke, machtige", anderen als „de voorste", „de aanvoerder" of als „het doelwit", dengene totwien men zich wendt. Daarnaast zou Elohim het Goddelijke wezen zien als „voorwerp van vrees". Maar dat wordt door vele bezwaren gedrukt. Beide namen zijn een samenvatting van alles, wat het religieuse bewustzijn als hoogere macht vereert. Vandaar dat zoowel Israël als de andere volken zich hiervan bedienen konden.

Dat Elohim in Ex. 21 : 6, 22 : 7v. rechters zou beteekenen (Staten-Vertaling) berust op een vergissing. Hier is sprake van een publiek-rechterlijke handeling, te verrichten ten overstaan van den meest onwraakbaren getuige: God zelf. In 1 Sam. 2 : 25 is sprake van God als hoogste rechterlijke instantie. In Ex. 15:11, Ps. 82:1,6, 86 : 8, 97 : 7, 9 zijn goden bedoeld, gelijk Staten-Vertaling voor Ex. 15 : 11 en Ps. 86 : 8 erkent. [ 3.

El, zij is de eenheidsmaat, die ten grondslag ligt aan de lengtematen. De namen der lengtematen zijn voor het meerendeel ontleend aan de leden van het menschelijk lichaam: vingerbreed (Ier. 52 : 21), handbreed (Ez. 40:5), span en el (Ez. 43 : 13).

Een el is dan oorspronkelijk de lengte van den elleboog tot aan het einde van den middelsten vinger. Het woord dat in het Grieksch met ons el overeenkomt heeft oorspronkelijk dezelfde beteekenis. De absolute lengte van deze maten kan niet met stellige zekerheid worden opgegeven. Uit 1 Kron. 23 : 23—32 mag wellicht worden afgeleid dat aan de Levieten de zorg voor de rechte „mate en afmeting" was toevertrouwd. In den loop der tijden zijn ellen van onderscheiden lengten in gebruik geweest. 2 Kron. 3: 3 maakt gewag van „de lengte in ellen, naar de eerste (oude) mate", en Ez. 43 : 13, 40 : 5 van een el en een handbreed. Deze el bij Ezechiël had 7 handbreedten. In den tweeden tempel moet naar alle waarschijnlijkheid een normaal „el" zijn geweest, zooals een normaal lengtemaat nog wordt gevonden uit vroegere tijden aangegeven op een muur bij de hoofdkerk te Pressburg. Naar alle waarschijnlijkheid zijn in den loop van den tijd de oud-Hebreeuwsche en oud-Egyptische el verdrongen door de Babylonische el, die in Egypte en Babylonië de koninklijke heette. Deze el had zeven inplaats van zes handbreedten. Met juistheid is niet te bepalen welke de lengte was van de el „naar de eerste mate" en die van de latere zoogenaamde koninklijke el. [ 8.