is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERFZONDE

107

een zonde van heel de menschheid, en dat alle menschen hoofd voor hoofd in hem schuldig voor God staan. Rom. 5 : 12 is hiervoor de groote bewijsplaats: „gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben." En voorts dient gelet te worden op vs. 15—19 waar geleerd wordt dat door de misdaad van éénen velen gestorven zijn (vs. 15), dat de schuld was door éénen die gezondigd heeft (vs. 16), dat door de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft (vs. 17), dat door één misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis (vs. 18), dat door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden (vs. 19). Uit al deze teksten zien we zeer duidelijk dat de zonde van Adam niet was de zonde van hem persoonlijk, maar een die al zijn nakomelingen in de schuld stelde. Hiernevens kan ook gewezen worden op I Cor. 15 : 21, 22 waar de apostel zegt dat de dood door één mensch is, en dat wij allen in Adam sterven, waaruit volgt, overmits de dood straf is voor de zonde, dat wij allen in Adam schuldig zijn. Het is daarom dat die zonde erfzonde genoemd wordt. Augustinus heeft het eerst deze leer breedvoerig ontwikkeld.

De vraag is van ouds gedaan hoe het naar het recht Gods kon geschieden dat de ééne zonde van Adam alle menschen doemschuldig stelde. Pelagius heeft deze waarheid bestreden, en hij wilde van erfzonde niet weten, evenmin als de Remonstranten later. Zij leerden dat Adam, door te zondigen, ons een slecht voorbeeld gegeven heeft, en dat wij de zonde met onzen vrijen wil uit navolging doen. Maar wij hebben te bedenken in de eerste plaats dat Adam ons aller stamvader is, dat alle menschen uit hem geworden zijn, dat het gansche menschelijke geslacht uit éénen bloede is. En zooals van Levi staat opgeteekend dat hij in Abraham tienden aan Melchizedek gegeven heeft, want dat hij in de lendenen des vaders was, als hem Melchizedek tegemoet ging (Hebr. 7 : 9, 10), zoo kunnen wij ook zeggen dat wij allen in de lendenen van Adam waren toen hij zondigde, en dat wij dus' in Adam gezondigd hebben, en in zijn zonde persoonlijk schuldig staan. Maar deze redeneering is niet voldoende om dit oordeel te bevestigen. Vooreerst, rijst dan onmiddellijk de vraag: waarom geldt dit dan alleen en uitsluitend die ééne zonde van Adam, die wij deswege de erfzonde noemen, en niet alle andere zonden door hem bedreven ? En in de tweede plaats moet nooit vergeten worden dat Adam een voorbeeld was desgenen die komen zou (Rom. 5 : 14) en dat Christus Jezus de tweede Adam is (1 Cor. 15 : 45). Tegenover het doemschuldig zijn in Adam staat het rechtvaardig zijn in Christus Jezus, en daarvan geldt: „evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft." Niemand nu kan zeggen dat wij in de lendenen van Christus besloten waren. Het is daarom dat behalve het wezenlijk in-zijn in Adam ook nog op iets anders gelet moet worden om onze schuld in de zonde van Adam

te erkennen. Adam was niet alleen ons natuurlijk stamhoofd, maar ook ons Bondshoofd. In het Werkverbond had God hem tot hoofd gesteld, en als zoodanig representeerde hij heel de menschheid. Op dien grond wordt de zonde van Adam aan al zijn nakomelingen toegerekend, evenals hadden zij die zeiven gedaan, op gelijke wijze als de gehoorzaamheid van Christus wordt toegerekend allen die zulk een weldaad met een geloovig hart aannemen. Dit hu is van Gods zijde geen willekeur maar een heilige ordinantie die Hij stelde in de wet der solidariteit.

Omdat deze erfzonde van Adam ons aller schuld is, worden wij ook allen persoonlijk gestraft met erfsmet of met een zondige natuur, waarin wij ontvangen en geboren worden. Meermalen wordt deze zondige ontvangenis en geboorte, de verdorvenheid van onze natuur zonder meer erfzonde genoemd. De Heilige Schrift openbaart het feit der erfzonde in de bekende uitspraken als Psalm 51:7: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen"; Job 14:4: „wie zal een reine geven uit een onreine ? niet één"; Joh. 3:6: „hetgeen uit vleesch geboren is, dat is vleesch". De bedreven zonde wordt gestraft met een zondige natuur van den mensch, erfsmet is straf voor de erfschuld.

Pelagius heeft de verdorven natuur van den mensch geloochend. En de Semi-Pelagianen hebben geleerd dat ten gevolge van de eerste zonde er wel over den mensch gekomen was een verzwakking van zijn geestelijke kracht, en dat hij in den natuurlijken strijd tusschen goed en kwaad minder kon volharden. Maar met zijn vrijen wil kan hij toch het goede nog willen, en dan zou Gods genade hem wel verder helpen. In de zedelijke verzwakking ligt wel aanleiding tot zonde, maar ze is zelf geen zonde. Dit gevoelen wordt ook door de Remonstranten voorgestaan.

Hiermede verwant is de Roomsche leer dat de mensch wel verloren heeft de oorspronkelijke gerechtigheid, de bovennatuurlijke genade, den gouden teugel, doch dat dat slechts een berooving was van het goed dat hij eens bezeten had. De Hervormers, en met name Calvijn, hebben geleerd dat de mensch niet alleen van de oorspronkelijke gerechtigheid beroofd werd, maar dat zijn natuur verdorven is geworden. Zóó verdorven dat hij onbekwaam is tot eenlg goed en geneigd tot alle kwaad. De opmerking wordt wel gemaakt dat zooveel menschen toch leven in burgerlijke gerechtigheid, dat zij braaf zijn in deze wereld en veel goeds doen, zelfs menigmaal een beschamend voorbeeld zijn voor de geloovigen. Men heeft zelfs gesproken van de blinkende deugden der heidenen. Dit alles kan niet ontkend worden, maar moet aangemerkt worden als een vrucht der gemeene gratie waardoor de kracht der zonde beteugeld wordt en de werking der zonde niet openbaar wordt. Maar dat alles neemt niet weg dat de natuur verdorven is, en dat het hart geneigd is God en den naaste te haten.

De zedelijke verwording door de zonde zien we reeds bij Adam, eenerzijds is er twijfel en ongeloof, anderzijds is er hoogmoed en begeer-