is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EZELFEESTEN

141

Nubië en Abessinië in het wild leeft, maar reeds bijna uitgestorven is. Ook in Azië komen nog wilde ezels voor; van deze fraai-gebouwde vlugge dieren noemen we slechts den halfezel, koelan of dsjiggetai (equus hemionus) in MiddenAzië en den onager (equus onager), die in Arabië, Syrië, Klein-Azië, Mesopotamië en Perzië leeft en wiens vleesch door de Romeinen gaarne gegeten werd. De ezel houdt van een warm en droog klimaat en voelt zich daarom het best thuis in landen als Arabië, Syrië, Perzië, Egypte, waar het een fraai, krachtig en leerzaam dier is, dat voor het paard weinig of niet behoeft onder te doen. In het midden van ons werelddeel daarentegen staat de ezel bekend als lui, dom en koppig, en mist hij geheel de levendigheid, die hij in het Oosten ten toon spreidt: klimaat en slechte behandeling hebben het dier zoo gemaakt. In Frankrijk en in het Zuiden van Europa wordt veel ezelinnenmelk gedronken; zij is zoeter dan koemelk, doch bevat minder vet.

Reeds 4000 jaren geleden was de ezel in Egypte en in Arabië huisdier, waarop vorsten en aanzienlijken gaarne reden (Richt. 5 : 10; 10 : 4). Thans berijdt in Egypte zelfs de bedebar een ezel. Tot den veestapel van Abram behoorden ook ezels (Gen. 12 : 16); Job bezat 500 ezelinnen (Job 1 : 3) en in den strijd tegen de Midianieten maakten de Israëlieten 61000 ezels buit (Num. 31 : 34). Op zijn tocht van Berseba naar het land Moria bereed Abraham een ezel (Gen. 22 : 3) en Jezus deed zijn intocht in Jeruzalem op een ezel (Matth. 21), gelijk voorzegd was (Zach. 9 : 9). Ook Bileam bereed een ezelin (Num. 22 : 21) en Abigaïl reed op een ezel (1 Sam. 25 : 20). Ezels werden ook veel als last- en trekdieren gebruikt (Gen. 42:26; Deut. 22 : 10; Joz. 9 : 4; 1 Sam. 25 : 18; Job 30 : 24; jes. 21 : 7). Ezels hebben een even groot herinneringsvermogen als paarden (Jes. 1:3); een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen. In tijden van honger werd in Palestina het vleesch van den (onreinen) ezel gegeten: bij de belegering van Samaria werd een ezelskop verkocht voor 80 zilverlingen (2 Kon. 6 : 25). Het lichaam van een dooden ezel werd weinig diep onder den grond gestopt of men liet het op den grond liggen; zoo vond Simson een versch ezelskinnebakken en sloeg daarmede 1000 Filistijnen (Richt. 15 : 15). Werd het lijk van een mensch even ruw behandeld, dan noemde men dat een ezelsbegrafenis (Jer. 22 : 19).

De bastaard van ezelhengst en paardemerrie draagt den naam van muildier of muil (equus mulus); het gelijkt op een paard met ezelsooren. Het muildier heeft de kracht en den moed van een paard; de volharding, de tevredenheid en den kalmen, vasten gang van een ezel. Reeds eeuwen voor het begin onzer jaartelling was de muildierteelt over al de landen rondom de Middellandsche zee verbreid; thans komen de beste muildieren uit Poitou, een landstreek in het Westen van Frankrijk. Uitgenomen in de koude Noordelijke landen worden muildieren tegenwoordig overal aangetroffen en vooral als lastdieren gebruikt. Waarschijnlijk heeft Ana,

zoon van den Heviet Zibeon, de eerste muildieren bezeten (Gen. 36 : 24). In Palestina schijnen ze onder David en Salomo te zijn ingevoerd. Aan David werden geschenken gebracht op muilen (1 Kron. 12 : 40); hij bezat een muilezelin waarop hij ook Salomo deed rijden (1 Kon. 1 : 33, 38 en 44). Absalom bereed een muil (2 Sam. 18 : 9) en Salomo ontving uit andere landen muilezels (muildieren) ten ge-

Mmldier (equus mulus).

schenke (1 Kon. 10 : 25). In Ps. 32 : 9 wordt het muildier tegelijk met het paard vermeld. Muilezels (equus hinnus) zijn eigenlijk bastaarden van paardehengst en ezelin en komen bijna niet voor.

Van den West-Aziatischen wilden ezel of onager, die een scherp gezicht en gehoor en een fijnen reuk bezit, wordt op vele plaatsen in het Oude Testament melding gemaakt, gewoonlijk onder den minder juisten naam van woudezel: wilde ezels vermijden de wouden (Job 11 : 12; 24 : 5; 39 : 8—11; Jes. 32 : 14; Jer. 2 : 24; 14 : 6; Hos. 8 : 9). Ismaël wordt er mee vergeleken (Gen. 16 : 12). Ook Issaschar is een ezel, doch geen wilde (Gen. 49 : 14). [ 31.

Ezelsfeesten. Als een soort van volksspel voerde men in de middeleeuwen omstreeks Kerstmis en op Palmzondag gaarne geschiedenissen uit den Bijbel ten tooneele, waarin ezels voorkwamen, b.v. de geschiedenis van Bileam; de vlucht van Jozef, Maria en Jezus naar Egypte; Jezus' intocht in Jeruzalem. Vooral in Frankrijk (Rouen, Beauvais, Sens), in Spanje en in Italië werden deze volksfeesten, ezelsfeesten geheeten, gevierd. In hoofdzaak kwamen deze spelen of feesten hierop neer, dat een als ezel vermomde of een tusschen de pooten van een ezel verscholen priester met balkende stem de ezelin van Bileam nabootste en tevens aan de in de kerk vergaderde menigte de geboorte van den Heiland of Jezus' intocht binnen Jeruzalem aankondigde. Ook werd wel een ezel, waarop een maagd en een kind gezeten waren, naar de kerk tot voor het altaar geleid. Het feest werd besloten met het zingen van ezelsliederen, half in 't latijn, half in de volkstaal; daarna werd de mis bediend. Nog in het jaar 1668 werd te Douai zulk een ezelsfeest (festum asinorum) gevierd. Pausen noch bisschoppen konden aan deze dwaze vertooningen een eind maken; ten slotte werden ze door de regeeringen verboden. [ 31.