is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FENICIË

157

was een echte zieleherder. Hij zocht zelfs boeren op in hun armelijke hutten en deelde het karige middagmaal met hen. Voor de vorming van geestelijken deed hij veel aan het priesterseminarie te Cambray. Tijdens de Spaansche successie-oorlog maande hij den hertog van Bourgondië, zijn vroegeren leerling, die de aanvoerder was in het Fransche leger, tot zachtmoedigheid. Toen in 1709 de omstreken van Cambray door de vijanden geteisterd werden, nam hij vele vluchtelingen in zijn paleis op en liet daar krankën en gewonden liefderijk verplegen. Toen er gebrek aan brood kwam, liet hij al zijn inkomsten van het land aan den staat over.

Zijn arbeid als prediker. Fénélon was een zeer geliefd prediker. Hij schreef. Dialogues sur l' Eloquence. Hij verlangde geen kunstig ineengezette rede, maar een goed voorbereide improvisatie. De prediker moet leeren, schilderen en stichten. Hij stierf in 1715, nadat hij zeer ontdaan was over den dood des konings, welke dood spoedig gevolgd werd door den dood van den hertog van Bourgondië, Fénélons vroegeren leerling.

Fénélon had een ietwat vrouwelijk karakter. Hij bezat veel liefde tot de mystiek. Door duizenden werd hij geacht en bemind. Hij was een vriend der Jezuieten, maar een heftig tegenstander der Jansenisten. [ 24.

Fenicië. De naam Fenicië is van Griekschen oorsprong en dient ter aanduiding van een lange, smalle landstreek aan de Oostkust der Middellandsche Zee. Misschien is het juister te zeggen, dat hij dient ter samenvatting van een aantal steden op of nabij deze kust, die voor het meerendeel in de oudheid zelfstandige staten vormden. Niet weinige van deze steden worden in de Heilige Schrift genoemd. De meest Noordelijke was Arvad, gelegen op een rotseiland, dat thans Ruad heet. De bewoners van Arvad worden als zeelieden geprezen (Ezech. 27 : 8). Verder naar het Zuiden lagen Tsemar, Arka en Sin, welker bewoners, evenals die van Arvad, tot de Kanaanieten worden gerekend (Gen. 10 : 17, 18). Nog meer Zuidelijk lag Gebal, in Ezech. 27 : 9 vermeld. Deze stad, door de Grieken Byblos genoemd, dreef een belangrijken handel in papyrus. Men zegt, dat het Grieksche woord voor boek (biblos, waar ons woord Bijbel van afkomt) ontleend is aan den naam der stad, Byblos. Nog verder naar het Zuiden lagen de steden Sidon, Zarfath en Tyrus, waaraan in deze Encyclopaedie afzonderlijke artikelen worden gewijd.

Hoe de Grieken ertoe gekomen zijn, de bewoners van al deze stad-staten Feniciërs te noemen, is niet zeker. Volgens den geleerden aartsbisschop Eustathius van Thessalonica (12de eeuw) had deze naam betrekking op hunne roode of roodbruine kleur, en deze meening laat zich wel verdedigen. In het Oude Testament worden de Feniciërs Kanaanieten genoemd, zelfs de meest Noordelijke (zie boven). En dat ze ook zichzelf zoo hebben genoemd, kan op verschillende gronden worden aangenomen. Maar de omstandigheden brachten mede, dat hunne levenswijze zeer verschilde van die der Kanaanieten in het door Israël veroverde land. Deze Kanaanieten dreven voornamelijk landbouw en veeteelt, de

Feniciërs daarentegen handel en scheepvaart. Tyrus en Sidon waren voor hunne graanvoorziening afhankelijk van het land Israëls. Dit was zoo in den tijd van Salomo (1 Kon. 5), en duizend jaar later eveneens (Hand. 12 : 20). De Feniciërs hadden voor landbouw niet veel gelegenheid. Des te merkwaardiger is het, dat onder hunne goden zulk een belangrijke plaats wordt ingenomen door godheden van den plantengroei als Astarte en Adonis. Niet ten onrechte ziet men hierin een blijk van hun oorspronkelijken samenhang met de landbouwende Kanaanieten.

In den tijd vóór David en Salomo moet Sidon de voornaamste plaats hebben ingenomen onder de Fenicische steden. In Gen. 10 : 15 wordt Sidon de eerstgeborene van Kanaan genoemd. En de naam „Sidoniërs" wordt vaak in ruimer zin gebruikt, ter aanduiding van de Feniciërs in het algemeen, of ten minste van de ZuidFeniciërs. Dit ruimere gebruik vinden we niet alleen in het Oude Testament, maar ook bij Homerus. Hieruit zien we, dat zoowel bij de Grieken als bij Israël de voornaamheid van Sidon's positie in het oog liep. Doch omstreeks het jaar 1000 v. C. trad Tyrus meer op den voorgrond. Hiram I (980—946), die met David en Salomo bevriend was, beschikte over de Libanonwouden in de buurt van Sidon, en stichtte een kolonie op Cyprus. Een zijner opvolgers, Ethbaal (886—854) de schoonvader van Achab, wordt „koning der Sidoniërs" genoemd (1 Kon. 16 : 31) ofschoon hij in Tyrus resideerde. Onder den Tyrischen koning Pygmalion moet het beroemde Carthago in Noord-Afrika zijn gesticht (814). Een sterke uitbreiding van den Tyrischen invloed in het Westelijk deel der Middellandsche Zee was hiervan het gevolg. In de dagen van de Assyrische en later de Chaldeeuwsche wereldmacht kwam de zelfstandigheid van de Fenicische staten menigmaal in het gedrang. Onder Esarhaddon werd Sidon verwoest (675), en onder den volgenden Assyrischen koning, Asurbanipal, sloot Tyrus een verdrag met Assur. Maar ofschoon Nebukadnezar Tyrus van 585 tot 573 belegerde, gelukte het hem niet de stad ten volle aan Babel te onderwerpen. Onder de Perzische heerschappij, die in Fenicië zonder tegenstand werd aanvaard, trad Sidon weer meer op den voorgrond. Omstreeks 350 werd een opstand van de Fenicische steden tegen Perzië met geweld onderdrukt, waarbij inzonderheid Sidon te lijden had. De eerste, wien het gelukte Tyrus in te nemen, was Alexander de Groote, de Macedoniër. Onder de Egyptische en Syrische opvolgers van Alexander wisten de Fenicische steden weer privilegiën te veroveren, die later door de Romeinen in den regel werden gehandhaafd.

Terwijl de naam Fenicië in het Oude Testament nergens voorkomt, treffen we hem in het Nieuwe Testament hier én daaraan; Hand. 11:19; 15 : 3; 21 : 2; vgl. Marcus7:26. Verschillende Fenicische steden, die we uit de Heilige Schrift kennen, hebben tot op dezen dag het bestaan gerekt. Maar Sidon (tegenwoordig Saida) is de eenige, die thans nog den naam van stad kan dragen. Tyrus (tegenwoordig Sur) is niet meer dan een visschersdorp. Ook Arvad (Ruad) heeft nog een zeevarende bevolking. [ 23.