is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

166

FILIPPENZEN

aan. Hij schijnt te vreezen, of te weten, dat de gemeente te Filippi het niet recht goed vond, dat Epafroditus niet bij den apostel bleef, om hem voor haar te dienen. Daarom prijst hij hem nu zeer, en zegt hij, dat hij hem terugzendt. Zij moeten dus ook om zijnentwil Epafroditus met alle toegenegenheid en erkentelijkheid ontvangen. En zij moeten zijn opoffering en arbeid om 's Heeren wil niet vergeten, want daardoor was hij doodelijk krank geworden (2 : 26—30). Of nu de apostel dezen brief aan Epafroditus heeft meegegeven, dan wel, of hij reeds vóór dit schrijven Epafroditus teruggezonden, en daarna den brief naar Filippi gestuurd had, vermoedende, of zelfs wetende, dat deze er nog eerder zou wezen, dan Epafroditus, kunnen we niet met rechte zekerheid uitmaken. Hetgeen de apostel over Epafroditus schrijft, pleit voor de laatste meening.

Deze brief draagt een practisch, vermanend, karakter. Breede uiteenzettingen over de leer der rechtvaardiging door het geloof in den Heere Christus (Gal., Rom.), of over de eenheid der gemeente uit Joden en heidenen (Ef.), of over den Heere Christus als Middelaar van schepping en verlossing (Col.), komen er niet in voor. Toch bevat hij een belangrijk Christologisch deel (2 : 5—11), waarin over de aanneming der menschelijke natuur door den Zone Gods gehandeld wordt, als nergens elders in de Heilige Schrift; maar toch ook dat met practische strekking, in vermanenden samenhang, om n.1. de geloovigen te Filippi tot zelfvernedering en opoffering aan te sporen, door het wijzen op het voorbeeld van den Zone Gods.

De toon van dezen brief Is bijzonder hartelijk (1:4; 2 : 1, 2; 4 : 1). Omdat er meermalen de opwekking tot blijdschap in voorkomt (2:18; 4 : 4) en de apostel er telkens over blijdschap in spreekt, heeft men hem den brief der blijdschap genoemd.

Hoe uitnemend de toestand van de gemeente te Filippi ook wezen mocht, en ofschoon er geen dwaling in heerschte, noch eenige verkeerde stemming of houding tegenover den apostel bij haar gevonden werd, maar zij in liefde aan hem dacht, en voor hem zorgde (2:25 v.v.; 4:10 v.v.), hoewel zij zelve arm was (2 Cor. 8:1—4; Filip. 4 : 10), viel er toch op verkeerde dingen bij haar te wijzen. De onderlinge samenbinding liet te wenschen over (1 : 27; 4 : 2). Daar was verkeerde rivaliteit (2 : 1—5). De zin van den Heere Christus, Die zichzelven heeft opgeofferd voor het heil en de verlossing van zijn gemeente, werd niet genoegzaam betoond.

Na den aanhef en zegengroet (1 : 1, 2) zegt de apostel, dat hij hartelijk aan de Filippenzen gebonden is en zijn moet, vanwege hunne gemeenschap aan het Evangelie reeds van den aanvang zijner prediking onder hen, en wekt hij hen op tot nog overvloediger liefde en Godsvrucht (1 : 3—11). Daarop deelt hij hun mede, hoe het met hem gegaan is, en nu staat, Innerlijk en uiterlijk. Het is bekend geworden, dat hij om Christus' wil gevangen zit. Velen hebben nu weer moed gevat, den Heere Christus te prediken, al doen niet allen het uit zuivere drangreden en met heilig bedoelen. Hoe het met den

apostel ook kome, wanneer maar de Heere Christus door hem groot gemaakt wordt, heeft hij zijn begeeren, hoewel zijn blijven leven noodzakelijk kan zijn om der gemeenten wil (1:12— 26). Vervolgens vermaant hij de Filippenzen tot standvastigheid (1 : 27—30), eensgezindheid, ootmoed en zelfverloochening (2 : 1—4), terwijl hij hun daartoe het voorbeeld van den Heere Christus voor oogen houdt, Die zich ontledigde van zijne heerlijkheid, en vernederde tot in den dood des kruises (2 : 5—11). Daarna gaat hij voort, hen op te wekken tot eenheid van zin en Godvreezendheid (2 : 12—18). Hierop tot eigen omstandigheden terugkeerende, schrijft hij, Timotheus weldra naar hen te willen henen zenden, hoewel hij ook zelf denkt, spoedig tot hen te kunnen komen (2 : 19—24). En vervolgens handelt hij over Epafroditus (2 : 25—30). Met hoofdstuk 3 begint een tweede deel. Hij waarschuwt daarin eerst scherp tegen de Judaïsten (3 : 1—15) en dan tegen een onheiligen levenswandel (3 : 16—21). Het is niet noodzakelijk, de in deze laatste verzen bestredenen, geheel te onderscheiden van hen, tegen wie inde voorafgaande wordt gewaarschuwd. Met Judaïstische dwaling kan libertinisch zondeleven hebben samengehangen. Ofschoon vs. 1 van hfdst. 3 wel eenige moeilijkheid bevat, en dit hoofdstuk zoo gansch anders van inhoud is dan de vorige twee hoofdstukken, is er toch geen genoegzame grond, hier te denken aan de verbinding van twee tevoren afzonderlijk geschreven brieven. In hoofdstuk 4 vermaant de apostel opnieuw tot eensgezindheid, nu met name enkele personen noemende (4 : 1—3) en spoort hij aan tot de beoefening van allerlei Christelijke deugden of werkzaamheden (4 : 4—9), terwijl hij eindelijk nog spreekt over hetgeen hij van hen door Epafroditus had ontvangen (4 : 10—18) en ten slotte met voorbede, lofprijzing Gods en zegenbede eindigt (4 : 19—23).

Er is geen reden, de namen Euodia en Syntyche voor partij-aanduidingen en niet voor eigennamen te houden. Wien de apostel met zijn aanspraak: oprechte metgezel, bedoelt, kan moeilijk beslist worden. Doch waarschijnlijk moeien we het aldus vertaalde grondwoord als eigennaam opvatten: Synzygus. Waarom Lydia niet genoemd wordt, en wie Clemens was, zijn vragen, die eveneens onbeantwoord moeten blijven.

Men heeft van critischen kant ook van dezen brief de echtheid wel bestreden. Maar dat had zijn oorzaak in een verkeerd Paulus-beeld, dat men zich eerst naar eigen filosofische denkbeelden geconstrueerd had, en dan niet in dezen brief kon terugvinden; of in eischen, welke men krachtens eigen redeneering aan de gedachtenontwikkeling van den apostel stelde, en niet voldaan zag; of In evolutie-gedachten, wanneer men van de Godheid van onzen Heiland niet weten wilde, en dan beweerde, dat de kerk eerst later den Heiland zoo hoog gesteld had. Doch wat in Filip. 2 : 6, 7 van den Heere Christus gezegd wordt, verschilt zakelijk niet van hetgeen de apostel van Hem schrijft b.v. 1 Cor. 8 : 6 en 2 Cor. 8 : 9.

Reeds Polycarpus spreekt in zijn brief aan de