is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

168 FILIPPISTEN

roepen, om den Evangelie-arbeid te verstoren. Lang verdroeg de apostel dat. Hij kon bevroeden, wat de uitwerping van den boozen geest voor gevolgen hebben kon. Maar toen die geest niet afliet, gebood hij hem eindelijk, van haar uit te gaan (16 : 18). De gevolgen lieten zich niet wachten. Haar heeren, in hun winstbejag getroffen, brachten, met verzwijging van hun eigenlijk motief (16 : 20, 21) de gansche stadsbevolking in beweging tegen Paulus en Silas (16 : 22), door te speculeeren op haar verachting van den Jood, en haar trots van Romeinen te zijn (26 : 20, 21), zoodat zelfs de stadsoversten en de rechters hun bezinning verloren, en de apostelen zonder gerechtelijk onderzoek geweldig Heten geeselen, en daarna in den kerkersluiten (16 : 23). Dat 's Heeren dienstknechten zich nu niet op hun Romeinsch burgerrecht beriepen, zooals den volgenden dag (16 : 37), kan hierin zijn oorzaak hebben, dat zulk een beroep thans niet wel mogelijk was. Ook kunnen zij het beter geoordeeld hebben, dit thans na te laten, om het daarna te meer effect ten goede van de gemeente te doen hebben. Want zij vreesden voor zichzelven de mishandelingen om den naam des Heeren niet. Toch hebben zij dezen smaad en dit lijden diep gevoeld, zooals blijkt uit des apostels schrijven er over aan de Filippenzen (Filip. 1 : 30). Deze weg van lijden heeft echter geleid tot de toebrenging van den stokbewaarder met zijn huis (16 i 33, 34). Barsch had deze hen behandeld en in den kerker weggestooten en weggesloten, zonder mededoogen (16 : 24). Maar verblijd in den Heere baden en zongen zij, en de Heere gaf antwoord door een aardbeving, waarbij zij als Zijn dienstknechten aangewezen, maar alle verkeerdheid voorkomen werd.

Het stadsbestuur schijnt bij nadenken, misschien ook in verband met de aardbeving, tot bezinning gekomen te zijn, waarom zij zonder meer Paulus en Silas wilden loslaten. Dat dezen dat niet aanvaardden, geschiedde ter beveiliging van de achterblijvende gemeente (16 : 35—39).

Na Lydia en de gemeente te haren huize vertroost en gegroet te hebben, gaan Paulus en Silas dan heen naar Thessalonica (17 : 1) terwijl Timotheus eerst later schijnt gevolgd te zijn, en Lucas daar jaren lang gebleven is. Althans komt eerst weer sprake van wij of ons, in 20 :5, wanneer de apostel aan het einde van zijn derde zendingsreis gereed staat van Filippi over Troas te vertrekken naar Jeruzalem (20 : 6) d. i. een 5 a 6 jaren na deze komst te Filippi.

Een tweeden keer is de apostel te Filippi geweest, toen hij van Efeze door Macedonië naar Corinthe trok (20 : 1; 1 Cor. 16 : 5; 2 Cor.

2 : 12, 13). En een derde maal enkele maanden daarna, toen hij om de lagen der Joden niet van Corinthe over zee naar Syrië kon varen, doch over land terugkeeren moest naar Filippi, Troas, enz. (20 : 3 v.v.).

Wanneer de apostel uit zijn gevangenschap te Rome (Hand. 28 : 16, 30) weer losgelaten is, heeft hij de gemeente te Filippi daarna voor een vierden keer bezocht (1 Tim. 1:3; vgl. Tit.

3 : 12) en later nogmaals voor een vijfde maal (2 Tim. 4 : 13. 20).

De gemeente te Filippi was arm (2 Cor. 8:1,2;

vgl. Filip. 4:10) maar zeer milddadig en tot opofferingen bereid (2 Cor. 8 : 3—5). En zij heeft dat ook tegenover den apostel betoond, reeds spoedig nadat hij vertrokken was (Filip. 4 : 161 en later toen hij te Corinthe was (2 Cor. 11:9) en daarna door het zenden van Epafroditus met gaven (Filip. 2 : 25), toen de apostel gevangen zat, denkelijk te Rome.

Van zijn kant heeft de apostel zijn genegenheid voor de gemeente van Filippi betoond niet alleen door zijn brief aan haar, jaren na zijn eerste komst aldaar, en waarin hij dien hartelijken band duidelijk merken laat (vgl. 4:1); noch ook bovendien door zijn gedurig komen te Filippi; maar evenzeer door zijn zenden van anderen, als Timotheus (1 Thes. 3:1, 2; Hand. 19 : 22; Filip. 2 : 19) en door zijn terugzenden van Epafroditus (Filip. 2 : 25 v.v.).

Van de gemeente te Filippi worden met name, behalve Lydia en Epafroditus, nog genoemd Euodia en Syntyche en Clemens (Filip. 4 : 2) die blijkbaar ook reeds in den aanvang tot het geloof gekomen, en lid van de gemeente geworden zijn, en ook belangrijke diensten aan den apostel en aan de gemeente bewezen hebben. En ook nog „oprechte metgezel" (4 : 3), wat denkelijk als eigennaam bedoeld is en daarom onvertaald moet blijven: Synzygus.

Omstreeks een halve eeuw daarna, in 107, of in één der jaren tusschen 107 en 117, is ook Ignatius van Antiochië over Filippi naar Rome gevoerd, waar hij voor de wilde dieren geworpen zou worden om zijn belijdenis van den Heere Christus. De Filippenzen hebben hem toen hartelijk ontvangen en begeleid. Uit een brief aan hen van Polycarpus, kort daarna geschreven, en waarin daarover gesproken wordt, vernemen we ook, dat een presbyter Valens en zijn vrouw zich uit gierigheid en andere innerlijke verkeerdheid zeer bezondigd hadden; en dat de Filippenzen aan Polycarpus gevraagd hadden, hun alle brieven van Ignatius te zenden, die hij had.

Op synodale lijsten uit den lateren tijd komen ook wel namen voor van bisschoppen te Filippi. Deze stad heet nu Filibedjik, dat klein Filippi beteekent, ter onderscheiding van Filippopolis. [7. •

Fllippistea. Met den naam Füippisten duidt men aan de leerlingen en aanhangers van Filippus Melanchton, die in de tweede helft der 16e eeuw in de Luthersche kerk tusschen de Roomschen aan de ééne, en de Calvinisten aan de andere zijde, tegenover de strenge Lutheranen een gematigder richting vormden.

Reeds tijdens het leven van Luther en Melanchton bleek het dat zij niet volkomen eensgeestes waren. Eenerzijds was echter de drang der reformatie zoo sterk en Luther's invloed op Melanchton zoo overheerschend, dat Melanchton zijn afwijkende gevoelens op de voornaamste punten liet rusten. Anderzijds kon Luther uit hoogachting voor de geleerdheid en vroomheid van Melanchton zooveel in hem verdragen, dat hij de verschillen maar al te vaak over het hoofd zag. Luther was echter te zeer door den geest der hervorming bezield en Melanchton te veel humanist, om het in den grond volkomen met